Geschiedenis van Benijófar

Straatbeeld in de oude dorpskern van Benijófar in AlicanteWie door de straten van Benijófar wandelt, ziet tegenwoordig een levendig dorp met een opvallend internationale bevolking. Achter de moderne woningen, restaurants en voorzieningen ligt echter een geschiedenis die nauw verbonden is met grondbezit, landbouw, irrigatie, aardbevingen en de ontwikkeling van de Vega Baja del Segura. De huidige dorpskern ontstond pas in de achttiende eeuw, maar de naam Benijófar en de landbouwgronden waarop het dorp werd gebouwd, hebben veel oudere wortels.

Benijófar is geen plaats die groot werd door een machtige vesting, een zeehaven of monumentale paleizen. Het dorp ontwikkelde zich rond vruchtbare landbouwgrond en het water van de rivier de Segura. Eeuwenlang waren landeigenaren, pachters, boeren en irrigatiekanalen bepalend voor het leven. Later kwamen daar de gevolgen van zware aardbevingen, veranderingen in het grondbezit en de komst van buitenlandse bewoners bij.

Juist die verschillende historische lagen maken Benijófar interessant. Het dorp groeide van een vrijwel onbewoond landgoed binnen het grondgebied van Orihuela uit tot een kleine zelfstandige gemeente. Sinds het einde van de twintigste eeuw veranderde het bovendien in een internationale woonplaats, zonder dat de oorspronkelijke dorpskern volledig verdween.

Arabische naam met oude wortels

De naam Benijófar heeft naar alle waarschijnlijkheid een Arabische oorsprong. Het eerste deel, beni of bani, komt in veel Spaanse plaatsnamen voor en verwijst doorgaans naar de zonen, familieleden of afstammelingen van een persoon of stam. Benijófar wordt meestal teruggevoerd op Bani Ya'far, wat kan worden vertaald als de afstammelingen of familie van Ya'far.

Die verklaring past bij de geschiedenis van het zuidoosten van Spanje, dat eeuwenlang onder islamitisch bestuur stond. In de vruchtbare vlakte rond de Segura ontstonden destijds kleine agrarische nederzettingen en landgoederen. In het Spaans worden zulke landelijke nederzettingen vaak aangeduid als een alquería. Voor Nederlandstalige lezers is dat het beste te omschrijven als een kleine boerennederzetting of landbouwgehucht.

Het is aannemelijk dat de naam Benijófar uit die periode is overgeleverd. Over de exacte omvang, ligging en bewoning van de vroegste nederzetting is echter veel minder met zekerheid bekend. De huidige dorpskern bestond in de middeleeuwen nog niet in zijn latere vorm. Benijófar was vooral de naam van een landgoed of landbouwgebied binnen de omgeving van Orihuela.

In de officiële geschiedschrijving van de gemeente wordt het jaar 1243 genoemd als belangrijk moment in de regionale geschiedenis. In dat jaar droeg de islamitische heerser Muhammad ibn Hud het koninkrijk Murcia, waartoe het gebied rond Benijófar destijds behoorde, door middel van een verdrag over aan de Castiliaanse kroon. De christelijke machtswisseling betekende niet dat alle bestaande bewoners, landbouwvormen en irrigatiesystemen onmiddellijk verdwenen.

Grensgebied tussen twee kronen

Na de christelijke verovering bleef het zuidoosten van het Iberisch Schiereiland lange tijd een politiek gevoelig grensgebied. Castilië en de Kroon van Aragón maakten beide aanspraak op delen van het huidige Alicante en Murcia. Op 28 maart 1244 werd het Verdrag van Almizra gesloten. Daarin werd vastgelegd welke gebieden onder Castiliaans en welke onder Aragonees gezag kwamen te staan.

Het gebied van de Vega Baja, waaronder de omgeving van Benijófar, bleef aanvankelijk onder Castiliaans bestuur. Na nieuwe conflicten kwam een deel van het voormalige koninkrijk Murcia aan het begin van de veertiende eeuw alsnog bij het koninkrijk Valencia en daarmee bij de Kroon van Aragón.

De arbitrale uitspraak van Torrellas uit 1304 speelde daarin een belangrijke rol. Het gebied rond Orihuela werd onderdeel van het koninkrijk Valencia, terwijl Orihuela uitgroeide tot het bestuurlijke centrum van het zuiden van dat koninkrijk. Benijófar lag binnen het uitgestrekte grondgebied van Orihuela en had nog geen zelfstandige gemeentelijke positie.

De politieke grenzen veranderden, maar voor de bewoners van het landelijke gebied bleven landbouw, water en bestaanszekerheid waarschijnlijk belangrijker dan de naam van de heersende kroon. Het irrigatiestelsel dat in de islamitische periode was uitgebreid, bleef ook onder christelijk bestuur van grote waarde.

Water maakte landbouw mogelijk

De geschiedenis van Benijófar is onlosmakelijk verbonden met de rivier de Segura en de vruchtbare landbouwvlakte van de Vega Baja. De bodem bood goede mogelijkheden voor landbouw, maar door het droge klimaat was een doordacht systeem voor de aanvoer en verdeling van water noodzakelijk.

In de streek ontstond een fijn netwerk van hoofdkanalen, kleinere irrigatiekanalen, waterverdelers en afvoerkanalen. In het Spaans worden veel van deze kanalen acequias genoemd. Dat woord heeft eveneens een Arabische oorsprong en kan in het Nederlands eenvoudig worden vertaald als irrigatiekanaal.

Het water werd volgens vaste regels verdeeld over de landbouwpercelen. Daardoor konden boeren onder meer groenten, granen, olijven, druiven en later citrusvruchten verbouwen. De irrigatielandbouw maakte de Vega Baja tot een van de productiefste landbouwgebieden in het zuidoosten van Spanje.

Het water bracht echter niet alleen voorspoed. De rivier de Segura kon bij hevige regenval buiten haar oevers treden en grote delen van het laaggelegen landschap onder water zetten. Oogsten, woningen, wegen en irrigatievoorzieningen konden daarbij zwaar worden beschadigd. De bewoners moesten daarom voortdurend een evenwicht vinden tussen het benutten en beheersen van het water.

Een landgoed bij Orihuela

In documenten uit de zestiende eeuw verschijnt Benijófar als een landbouwlandgoed binnen het grondgebied van Orihuela. Het was toen nog geen volwaardig dorp met een grote vaste bevolking. De gronden waren in handen van adellijke families en werden gebruikt voor landbouw, veeteelt of verpachting.

In 1582 wordt het landgoed genoemd in verband met de erfgenamen van Jaime Togores. De familie had financiële problemen, waardoor bezittingen moesten worden verkocht. Volgens de officiële gemeentelijke geschiedschrijving werd het landgoed uiteindelijk voor 4.000 Valenciaanse ponden gekocht door het dominicanenklooster Colegio de Predicadores in Orihuela.

Traditionele dorpsarchitectuur in het historische centrum van BenijófarDe dominicanen beschreven het bezit als een landgoed met ongeveer zeshonderd tahúllas bevloeibare grond. Een tahúlla is een traditionele oppervlaktemaat die in de omgeving van de Vega Baja werd gebruikt. De precieze grootte verschilde per streek, maar in dit gebied komt één tahúlla ongeveer overeen met 1.185 vierkante meter.

Uit de historische beschrijving blijkt dat grote delen van het landgoed op dat moment nauwelijks werden bewerkt. Het gebied zou lange tijd vrijwel zonder actieve eigenaar zijn geweest en had daardoor veel van zijn landbouwkundige waarde verloren. Dat paste in een bredere periode van ontvolking en economische achteruitgang in delen van de Vega Baja.

Benijófar werd niet genoemd in het bevolkingsregister van het koninkrijk Valencia uit 1646 en evenmin in het register van Orihuela uit 1649. Dat wijst erop dat er toen nog geen herkenbare dorpsgemeenschap van betekenis bestond. Het landgoed was er wel, maar de huidige plaats moest nog ontstaan.

Families beheerden het landgoed

De geschiedenis van het landgoed is verbonden met verschillende families en instellingen. Tot de vroeg bekende bezitters behoorde Ana Luisa Silvestre Claramunt y Valdibrea, die in historische bronnen wordt aangeduid als vrouwe van Benijófar. Door haar huwelijk met Jaime Togores y Loaces raakte het bezit verbonden met de familie Togores.

Door erfenissen, schulden en verkopen wisselde het landgoed later van eigenaar. Nadat het bezit bij het dominicanenklooster in Orihuela terechtkwam, bleef het ongeveer een eeuw in handen van deze religieuze instelling.

In 1686 kocht Jaime Gallego het landgoed voor 7.000 Valenciaanse ponden van de dominicanen. In sommige oudere samenvattingen wordt het jaar 1689 genoemd, maar de officiële geschiedenispagina van de gemeente gebruikt 1686 als jaar van aankoop.

De aankoop betekende nog niet dat Benijófar onmiddellijk een zelfstandig en dichtbevolkt dorp werd. Het bleef aanvankelijk vooral een landbouwbezit waarvan de grond werd verpacht. Pas enkele tientallen jaren later werd besloten om er een vaste bevolkingskern te stichten.

Overstroming trof het gebied

In 1587 werd het grondgebied van Benijófar volgens historische verwijzingen getroffen door een overstroming van de Segura. De oogst en een groot deel van het landbouwgebied zouden daarbij zijn verwoest. Voor een streek die vrijwel volledig van landbouw afhankelijk was, had zo'n ramp grote economische gevolgen.

De vermelding laat zien hoe kwetsbaar de landbouwgemeenschappen in de Vega Baja waren. Dezelfde rivier die de grond vruchtbaar maakte, kon bij extreme neerslag voor verwoesting zorgen. Het duurde na een zware overstroming vaak lange tijd voordat kanalen waren hersteld, percelen opnieuw konden worden bewerkt en een nieuwe oogst kon worden binnengehaald.

Overstromingen zijn geen afgesloten hoofdstuk in de geschiedenis van de streek. Ook in latere eeuwen werd de Vega Baja herhaaldelijk getroffen door hoogwater. De grote overstroming van 1879, bekend als de Riada de Santa Teresa, trof grote delen van de omgeving van de Segura. Veel recenter veroorzaakte extreem noodweer in september 2019 opnieuw ernstige wateroverlast in verschillende gemeenten van de Vega Baja.

De historische relatie met water verklaart waarom waterbeheer, afvoerkanalen en bescherming tegen overstromingen nog altijd belangrijke onderwerpen zijn in het zuiden van de provincie Alicante.

Benijófar ontstaat in 1729

Het belangrijkste moment in de vorming van het huidige Benijófar kwam in september 1729. De toenmalige eigenaar, Jaime Gallego de Castro, besloot het traditionele systeem van verpachting te vervangen door de stichting van een vaste nederzetting.

Hij verdeelde landbouwgrond en woningen onder zeventien kolonisten. Deze nieuwe bewoners kregen samen 736 tahúllas bevloeibare landbouwgrond en daarnaast een onbekende hoeveelheid droge grond toegewezen. In ruil daarvoor moesten zij jaarlijks een vergoeding betalen en een deel van hun landbouwopbrengst afstaan.

De bewoners kregen niet de volledige vrije eigendom zoals die tegenwoordig wordt begrepen. De heer behield het hoogste eigendomsrecht, terwijl de bewoners het recht kregen om de grond te gebruiken, te bewerken en binnen bepaalde voorwaarden door te geven. Dit systeem staat bekend als erfpacht of emphyteusis.

De kolonisten werden bovendien verplicht om binnen enkele jaren delen van hun grond te beplanten met olijfbomen, druivenstokken of moerbeibomen. Daarmee wilde de eigenaar de landbouwproductie verhogen en het landgoed economisch aantrekkelijker maken.

September 1729 kan daarom worden beschouwd als het werkelijke geboortejaar van Benijófar als georganiseerde en blijvend bewoonde plaats. De naam en het landgoed waren veel ouder, maar pas vanaf dat moment ontstond een herkenbare dorpsgemeenschap.

Geen stichting in 1704

In verschillende korte historische beschrijvingen wordt 1704 genoemd als het jaar waarin Benijófar zelfstandig werd of waarin de baronie van Benijófar ontstond. Dat jaartal vraagt om enige voorzichtigheid, omdat het niet hetzelfde is als de stichting van de huidige bevolkingskern.

De officiële geschiedschrijving van de gemeente wijst duidelijk naar 1729 als het moment waarop zeventien bewoners werden gevestigd en een nieuw dorp werd gevormd. Voor bezoekers en nieuwe inwoners is het daarom nauwkeuriger om 1729 als het begin van het bewoonde Benijófar te noemen.

De eerdere adellijke en juridische titels hadden vooral betrekking op het grondbezit en de rechten van de eigenaar. Ze betekenden niet automatisch dat er al een volwaardige gemeente bestond met een dorpskern, inwoners en een eigen modern gemeentebestuur.

De ontwikkeling van Benijófar verliep dus in verschillende stappen. Eerst was er een oud landbouwgebied met een Arabische naam. Daarna werd het een heerlijk landgoed onder verschillende eigenaren. Pas in de achttiende eeuw ontstond de blijvende nederzetting waaruit het huidige dorp groeide.

Landbouw bepaalde het leven

Gedurende de achttiende eeuw werd Benijófar steeds duidelijker een landbouwgemeenschap. De eerste bewoners bewerkten relatief grote percelen, die later door erfenissen en verkopen werden opgesplitst. Daardoor ontstond geleidelijk het patroon van kleinere landbouwbedrijven dat lange tijd kenmerkend bleef voor de streek.

De heer van Benijófar behield aanvankelijk verschillende rechten. De bewoners betaalden een jaarlijkse vergoeding voor het gebruik van de grond en moesten een deel van hun oogst afstaan. Voor hun woning gold eveneens een financiële verplichting, totdat de waarde ervan volledig was afgelost.

Ondanks deze lasten kregen de bewoners een relatief sterke en blijvende band met de grond. De landbouwpercelen konden binnen families worden doorgegeven en later verder worden verdeeld. Zo ontstond stap voor stap een zelfstandiger boerenbevolking.

De landbouw draaide om de beschikbaarheid van water. De bevloeide percelen waren waardevoller dan de droge gronden en werden ook zwaarder belast. Het verschil tussen landbouwgrond met en zonder irrigatiemogelijkheden bepaalde voor een belangrijk deel de opbrengst en de bestaanszekerheid van een gezin.

Kerk werd het dorpshart

Dorpsplein bij de parochiekerk in het centrum van BenijófarMet de komst van vaste bewoners ontstond ook behoefte aan een kerk en een herkenbaar dorpscentrum. De parochiekerk werd gewijd aan Santiago Apóstol, in het Nederlands de apostel Jacobus. De officiële naam van de parochie verwijst daarnaast naar Santa Isabel de Portugal, oftewel de heilige Elisabeth van Portugal.

Volgens toeristische informatie van de Valenciaanse Gemeenschap stond er aan het einde van de zestiende of het begin van de zeventiende eeuw al een eerder kerkgebouw in het gebied. Uit dit oudere godshuis zijn waardevolle religieuze kunstwerken en versieringen bewaard gebleven.

De kerk bezit een bijzondere verzameling barokke altaarstukken uit de zeventiende en achttiende eeuw. Deze kunstwerken zijn belangrijk omdat veel religieus erfgoed in de Vega Baja door aardbevingen, oorlogen en latere verbouwingen verloren is gegaan.

De kerk en het omliggende plein groeiden uit tot het religieuze en sociale middelpunt van het dorp. Hier vonden kerkdiensten, processies, feesten en ontmoetingen plaats. Ook tegenwoordig vormt het gebied rond de kerk een herkenbaar onderdeel van het centrum.

Wie meer wil weten over het dorp en de bezienswaardigheden kan verder lezen op de pagina over bezienswaardigheden in Benijófar.

Aardbevingen verwoestten het dorp

Een van de zwaarste perioden uit de geschiedenis van Benijófar begon in 1828. Vanaf 21 maart van dat jaar werd de Vega Baja getroffen door een lange reeks aardbevingen en naschokken. De seismische activiteit hield maanden aan en bereikte in Benijófar volgens historische verslagen een zeer hoge intensiteit.

De zwaarste en bekendste aardbeving vond plaats op 21 maart 1829. Deze ramp staat vaak bekend als de aardbeving van Torrevieja, hoewel ook Almoradí, Benejúzar, Guardamar del Segura, Rojales en andere plaatsen in de Vega Baja zwaar werden getroffen.

Benijófar telde op dat moment ongeveer 250 inwoners. Voor zover bekend vielen er in het dorp geen dodelijke slachtoffers, maar de materiële schade was enorm. De parochiekerk werd verwoest en vrijwel alle woningen, boerderijen en landbouwgebouwen liepen schade op.

Een historisch krantenverslag meldde dat geen enkel huis in Benijófar volledig onbeschadigd bleef. Ook gebouwen, landbouwgrond en voorzieningen in de omliggende velden werden getroffen. Daarmee werd vrijwel de hele kleine gemeenschap rechtstreeks door de ramp geraakt.

In het oorspronkelijke artikel werd 1829 alleen in verband gebracht met overstromingen. Voor de geschiedenis van Benijófar is juist de aardbevingsramp van 1828 en 1829 een van de belangrijkste gebeurtenissen. De huidige kerk en een deel van de latere dorpsstructuur kunnen niet los van deze verwoesting en wederopbouw worden gezien.

Dorp werd opnieuw opgebouwd

Na de grote aardbeving stuurde koning Ferdinand VII ingenieur José Agustín de Larramendi naar de Vega Baja. Hij kreeg de taak om de schade te onderzoeken en plannen voor de wederopbouw te maken. Larramendi werd ondersteund door ingenieur Eugène Fourdinier.

De wederopbouw beperkte zich niet tot het repareren van afzonderlijke woningen. In verschillende zwaar getroffen plaatsen werden bredere en rechtere straten aangelegd. Gebouwen kregen vaak slechts één verdieping en werden zo ontworpen dat zij beter bestand waren tegen toekomstige aardbevingen.

Voor Benijófar maakte Larramendi plannen voor de bouw of herbouw van 75 woningen. De plannen werden in juni 1829 door de koning goedgekeurd. De nieuwe bebouwing vormde de basis voor een groot deel van de verdere ontwikkeling van het dorp.

Ook de kerk moest na de verwoesting opnieuw worden opgebouwd. Het huidige kerkgebouw is daardoor veel jonger dan de oorspronkelijke parochie, al bleven verschillende oudere kunstwerken en religieuze onderdelen behouden.

De wederopbouw na 1829 gaf Benijófar een nieuwe start. Het dorp werd niet verlaten, maar opnieuw ingericht en geleidelijk uitgebreid. Dat herstel laat zien hoe sterk de inwoners verbonden waren met hun landbouwgrond, gemeenschap en omgeving.

Einde van de heerlijke macht

De negentiende eeuw bracht niet alleen aardbevingen, maar ook grote politieke en juridische veranderingen. In heel Spanje kwam het traditionele systeem van heerlijkheden en feodale rechten onder druk te staan.

De Spaanse Cortes besloten in 1811 tot afschaffing van de rechtsmacht van de heren. Delen van het oude systeem werden later tijdelijk hersteld, maar met de wet van 26 augustus 1837 kwam definitief een einde aan de heerlijke rechtsmacht.

De voormalige heren konden bepaalde gronden als particulier bezit behouden, maar verloren hun bestuurlijke en rechterlijke macht over de inwoners. Daarmee veranderde Benijófar geleidelijk van een heerlijk landgoed in een moderne gemeente.

Door erfenissen, verkopen en de opdeling van grote bezittingen raakte het grondbezit steeds meer versnipperd. De vroegere vrijwel gezamenlijke eigendom veranderde in een landschap van kleinere landbouwpercelen. Aan het begin van de twintigste eeuw waren de oude heerlijke verhoudingen grotendeels uit het dagelijks leven verdwenen.

Landbouw bleef lang dominant

Tot ver in de twintigste eeuw bleef Benijófar hoofdzakelijk een landbouwdorp. Het dagelijkse leven werd bepaald door irrigatie, oogsten, seizoenen en de prijzen van landbouwproducten. Veel gezinnen werkten op eigen grond of waren als landarbeider actief.

De vruchtbare grond van de Vega Baja maakte de verbouw van uiteenlopende producten mogelijk. Groenten, citrusvruchten, granen en andere gewassen werden naar lokale markten en later naar verder weg gelegen afzetgebieden vervoerd.

De modernisering van de irrigatie, de aanleg van betere wegen en de groei van omliggende plaatsen maakten de landbouw efficiënter en verbeterden de bereikbaarheid. Benijófar bleef echter lange tijd klein en groeide veel minder snel dan kustplaatsen zoals Torrevieja en Guardamar del Segura.

Juist doordat het dorp niet direct aan zee lag, bleef het grotendeels buiten de eerste golf van massatoerisme die vanaf de jaren zestig grote delen van de Costa Blanca veranderde. Hotels en hoge appartementencomplexen bepaalden hier niet het straatbeeld.

Spaanse Burgeroorlog

Ook Benijófar ontkwam niet aan de onrust van de Spaanse Burgeroorlog, die van 1936 tot 1939 duurde. Zoals in veel kleine Spaanse gemeenten hadden politieke verdeeldheid, economische onzekerheid en militaire gebeurtenissen invloed op de plaatselijke bevolking.

Over de gebeurtenissen in Benijófar zelf is in algemene toeristische bronnen weinig gedetailleerde informatie beschikbaar. Het is daarom niet verantwoord om zonder lokale archiefstukken specifieke gebeurtenissen of aantallen te noemen.

Wel staat vast dat de oorlog en de daaropvolgende dictatuur van Francisco Franco het dagelijks leven in heel Spanje ingrijpend veranderden. Schaarste, beperkte politieke vrijheid en economische problemen bepaalden vooral in de eerste jaren na de oorlog het leven.

De landbouw bleef voor veel inwoners de belangrijkste bron van inkomsten. Pas toen Spanje vanaf de jaren zestig economisch groeide en toerisme aan de Costa Blanca steeds belangrijker werd, ontstonden er meer alternatieven buiten de traditionele landbouw.

Kustgroei veranderde de omgeving

Vanaf de tweede helft van de twintigste eeuw veranderde de Costa Blanca snel. Plaatsen aan de kust groeiden door toerisme, woningbouw en de komst van bewoners uit andere delen van Spanje en Europa.

Hoewel Benijófar zelf geen badplaats werd, profiteerde het dorp van die ontwikkeling. De stranden van Guardamar del Segura, de voorzieningen van Torrevieja en de luchthaven bij Alicante kwamen door betere wegen gemakkelijker binnen bereik.

De ligging iets landinwaarts werd steeds vaker als een voordeel gezien. Bewoners konden dicht bij de stranden wonen, maar hoefden niet midden in de drukte van een grote toeristische kustplaats te verblijven.

Rond de oude kern verschenen nieuwe woningen, winkels, restaurants en diensten. Het dorp groeide geleidelijk, terwijl de oorspronkelijke straten rond de kerk en het gemeentehuis herkenbaar bleven.

Buitenlandse bewoners kwamen

Vanaf het einde van de twintigste eeuw en vooral vanaf de jaren negentig vestigden steeds meer buitenlandse inwoners zich in en rond Benijófar. Britten vormden lange tijd een van de grootste groepen, maar ook Nederlanders, Belgen, Scandinaviërs en andere Europeanen kochten of huurden er woningen.

De komst van buitenlandse bewoners veranderde de economie en het straatbeeld. Er ontstonden nieuwe restaurants, makelaarskantoren, winkels, bouwbedrijven en dienstverleners die zich mede op internationale klanten richtten.

Benijófar groeide niet door grote hotels of kortdurend massatoerisme. De internationale ontwikkeling kwam vooral voort uit permanente bewoning, tweede woningen en overwinteraars. Daardoor kreeg het dorp een ander karakter dan veel toeristische kustplaatsen.

De oude Spaanse gemeenschap bleef aanwezig, maar werd aangevuld met inwoners uit tientallen landen. Tegenwoordig heeft een groot deel van de bevolking geen Spaanse nationaliteit. Spaans, Engels en verschillende Noord-Europese talen worden daardoor dagelijks naast elkaar gehoord.

Meer praktische informatie over het huidige leven in het dorp staat in het artikel over wonen in Benijófar.

Nieuwbouw rond de oude kern

De groeiende buitenlandse belangstelling leidde tot nieuwe woonwijken en moderne woningbouw rond de oorspronkelijke dorpskern. Vrijstaande woningen, geschakelde huizen en appartementen werden gebouwd voor zowel Spaanse als internationale kopers.

Deze ontwikkeling veranderde het uiterlijk en de economie van Benijófar. De bouwsector, vastgoedmarkt en dienstverlening werden belangrijker, terwijl het relatieve economische aandeel van de landbouw afnam.

Toch bleef de historische structuur van het dorp op veel plaatsen herkenbaar. Rond de kerk en het oude centrum bevinden zich nog traditionele straten, lage woningen en openbare ruimtes die herinneren aan het kleinschalige landbouwdorp.

De tegenstelling tussen oud en nieuw is een van de opvallendste kenmerken van Benijófar. Moderne villa's en internationale horeca liggen op korte afstand van irrigatiekanalen, landbouwgrond en straten die na de aardbevingen van de negentiende eeuw werden opgebouwd.

Feesten houden tradities levend

De jaarlijkse dorpsfeesten laten zien dat de plaatselijke geschiedenis nog steeds onderdeel is van het dagelijks leven. De belangrijkste feesten worden gehouden rond 25 juli, de feestdag van Santiago Apóstol, die lokaal ook San Jaime wordt genoemd.

Tijdens de feestperiode vinden doorgaans processies, muziekoptredens, kinderactiviteiten, gezamenlijke maaltijden en andere festiviteiten plaats. Het precieze programma verschilt ieder jaar.

De kerk, het plein en de straten in het centrum vormen daarbij belangrijke ontmoetingsplaatsen. Spaanse en buitenlandse bewoners vieren de feesten tegenwoordig samen, waardoor traditionele gebruiken een breder internationaal publiek hebben gekregen.

De beschermheiligen van de parochie zijn Santiago Apóstol en de Onbevlekte Ontvangenis. Ook in december worden daarom religieuze en plaatselijke activiteiten georganiseerd.

Geschiedenis blijft zichtbaar

Benijófar heeft geen groot middeleeuws kasteel, ommuurde binnenstad of verzameling monumentale paleizen. Wie alleen naar opvallende monumenten zoekt, kan daardoor ten onrechte denken dat het dorp weinig geschiedenis heeft.

De geschiedenis is hier vooral zichtbaar in de vorm van het landschap, de landbouwpercelen, oude irrigatiekanalen, het stratenplan, de kerk en de verhouding tussen de oorspronkelijke kern en de nieuwere woongebieden.

De wederopbouw na de aardbevingen van 1828 en 1829 vormt een van de duidelijkste historische breuklijnen. Verschillende gebouwen verdwenen, maar de gemeenschap bleef bestaan en bouwde het dorp opnieuw op.

Ook de ontwikkeling van heerlijk landgoed naar zelfstandige gemeente is nog terug te zien in de kleinschaligheid van het grondgebied. Benijófar groeide vanuit één groot landbouwbezit dat door de eeuwen heen steeds verder werd verdeeld.

Dorp met vele historische lagen

De geschiedenis van Benijófar bestaat uit verschillende lagen. De Arabische oorsprong van de naam verwijst naar het islamitische verleden van de streek. De latere geschiedenis van adellijke families en dominicanen vertelt het verhaal van grondbezit en macht. De stichting van de bevolkingskern in 1729 markeert het begin van het huidige dorp.

De aardbevingen van 1828 en 1829 brachten verwoesting, maar leidden ook tot een ingrijpende wederopbouw. Het einde van de heerlijke rechten maakte de weg vrij voor een modernere gemeente en een verdere verdeling van de landbouwgrond.

In de twintigste eeuw veranderde Benijófar langzaam van een vrijwel volledig agrarische gemeenschap in een veelzijdiger woonplaats. De groei van de Costa Blanca, verbeterde verbindingen en buitenlandse woningzoekers gaven het dorp uiteindelijk zijn huidige internationale karakter.

Toch is er geen volledige breuk ontstaan tussen het oude en het nieuwe Benijófar. De kerk, het dorpsplein, lokale feesten en landbouwgronden maken nog steeds deel uit van het dagelijks leven. Tegelijkertijd wonen er mensen uit heel Europa en zijn nieuwe woonwijken en internationale ondernemingen een normaal onderdeel van het straatbeeld geworden.

Voor mensen die overwegen te emigreren naar Alicante of te wonen in Spanje, biedt de geschiedenis bovendien nuttige achtergrond. Benijófar is niet zomaar een moderne woonwijk dicht bij de Costa Blanca, maar een dorp dat is gevormd door eeuwen van landbouw, eigendom, natuurrampen en herstel.

Wie vandaag door Benijófar loopt, ziet daarom meer dan een rustig internationaal dorp. Achter de moderne gevels ligt het verhaal van zeventien eerste kolonisten, oude irrigatiekanalen, een verwoeste kerk, een koninklijk wederopbouwplan en generaties bewoners die zich telkens aan nieuwe omstandigheden wisten aan te passen.

Dit artikel is voor het laatst bijgewerkt op 16 juli 2026.