Van prehistorie naar dorpskern
Wie door de smalle straten van Alcalalí wandelt, ontdekt een dorp waarvan de geschiedenis veel verder teruggaat dan de witgekalkte gevels, oude dakpannen en rustige pleinen doen vermoeden. Alcalalí ligt in de Vall de Pop, die onder veel Nederlanders en Belgen ook bekendstaat als de Jalón-vallei. De plaats werd nooit een grote stad of belangrijk handelscentrum, maar groeide wel uit tot een herkenbare gemeenschap met een eigen bestuur, parochie, landbouwtraditie en verdedigbare toren.
De geschiedenis van Alcalalí is nauw verbonden met het landschap. De rivier, berghellingen, landbouwterrassen en beperkte hoeveelheid water bepaalden eeuwenlang waar mensen konden wonen en welke gewassen zij konden verbouwen. Iedere generatie paste het landschap opnieuw aan, zonder de natuurlijke omstandigheden volledig naar haar hand te kunnen zetten.
Het verleden is daardoor niet alleen zichtbaar in officiële monumenten. Ook oude muurtjes, waterbassins, landbouwpaden, olijfgaarden, wijngaarden en verlaten terrassen vertellen hoe bewoners hier probeerden te leven van een droge maar vruchtbare vallei. Alcalalí werd niet in één keer gebouwd, maar ontstond stap voor stap uit woningen, akkers, religieuze gebouwen en plaatsen waar bewoners bescherming konden zoeken.
De vroegste aanwijzingen voor menselijke aanwezigheid binnen de gemeentegrenzen dateren zelfs uit de prehistorie. In een rotsschuilplaats bij de berg Seguili werd een schematische rotsschildering gevonden. Zulke vondsten bewijzen niet dat op de huidige locatie van het dorp al een vaste nederzetting bestond, maar laten wel zien dat mensen dit landschap duizenden jaren geleden al gebruikten.
Ook op de hellingen van de berg Aixa zijn sporen gevonden die met Iberische bewoning in verband worden gebracht. Daarmee begint het verhaal van Alcalalí lang vóór de middeleeuwen, al is van deze vroege bewoners in het huidige dorpscentrum weinig zichtbaar gebleven.
Arabische wortels in de vallei
De oorsprong van de huidige dorpskern wordt verbonden met de periode van Al-Andalus, toen een groot deel van het Iberisch Schiereiland onder islamitisch bestuur stond. De naam Alcalalí heeft duidelijk Arabische wortels, maar over de exacte betekenis bestaan verschillende verklaringen. De naam zonder voorbehoud vertalen als ‘burcht’ of ‘versterkte plaats’ gaat daarom verder dan op basis van de beschikbare historische bronnen verantwoord is.
Wel staat vast dat de Vall de Pop in de islamitische periode bestond uit meerdere kleine agrarische nederzettingen. In het Spaans en Valenciaans worden zulke nederzettingen vaak alquerías genoemd. Het Nederlandse woord buurtschap komt het dichtst in de buurt, al bestond een alquería meestal uit woningen, landbouwgrond en gedeelde watervoorzieningen.
De inwoners legden terrassen aan op hellingen, bouwden stenen muren en ontwikkelden systemen om regen- en bronwater zo efficiënt mogelijk te gebruiken. Water werd opgeslagen in reservoirs en via kleine kanalen naar landbouwgrond geleid. Door die kennis konden druiven, olijven, vijgen, granen en andere gewassen worden verbouwd in een omgeving met lange droge perioden.
Het landschap van Alcalalí draagt nog altijd sporen van deze landbouwkundige kennis. De terrassen volgen de natuurlijke vorm van de hellingen en voorkomen dat vruchtbare aarde tijdens hevige regen wegspoelt. Oude paden verbinden de dorpskern met landbouwgronden, bronnen en kleinere woonplaatsen in de vallei.
Een belangrijke nederzetting in de omgeving was Mosquera. Deze woonplaats lag rond de huidige kapel van Sant Joan de Mosquera. Volgens de gemeentelijke geschiedschrijving bestond Mosquera vóór de ontvolking uit ongeveer dertig huizen. Er waren bovendien een broodoven en een waterreservoir aanwezig.
De inwoners van Mosquera waren hoofdzakelijk landbouwers. Hun aanwezigheid laat zien dat de geschiedenis van Alcalalí niet uitsluitend in de huidige dorpskern werd geschreven. De gemeente bestond uit verschillende woonplaatsen en landbouwgebieden die gezamenlijk gebruikmaakten van de vallei.
Christelijke verovering en zelfstandigheid
In de dertiende eeuw veranderden de politieke verhoudingen ingrijpend. Koning Jaume I veroverde Alcalalí in 1245 tijdens de uitbreiding van het christelijke koninkrijk Valencia. Het gebied werd vervolgens opgenomen in een feodaal stelsel waarin grond, belastingen en bestuurlijke rechten aan adellijke families konden worden geschonken of verkocht.
In 1268 schonk Jaume I Alcalalí aan prinses Berenguela. Daarna kwam het gebied in de loop van de eeuwen in handen van verschillende adellijke eigenaren. Voor de inwoners betekende een andere heer niet dat het dagelijkse leven plotseling volledig veranderde. De landbouwgronden, watervoorzieningen en bestaande nederzettingen bleven noodzakelijk voor het voortbestaan van de gemeenschap.
De islamitische bevolking bleef aanvankelijk grotendeels aanwezig. Na hun gedwongen bekering tot het christendom werden zij moriscos genoemd. Dat waren gedoopte moslims en hun nakomelingen die officieel christelijk waren, maar vaak delen van hun taal, familiecultuur en gebruiken behielden.
Alcalalí werd in 1409 bestuurlijk zelfstandig. Dat jaartal vormt een belangrijk keerpunt in de plaatselijke geschiedenis. Het dorp kreeg een duidelijker eigen positie binnen de Vall de Pop en werd minder afhankelijk van omliggende bestuurlijke centra.
Zelfstandigheid betekende in de middeleeuwse en vroegmoderne tijd niet hetzelfde als een moderne democratische gemeente. De bewoners bleven onderworpen aan een plaatselijke heer en moesten belastingen, pacht en andere verplichtingen nakomen. Toch ontstond hierdoor wel een sterker afgebakende gemeenschap met eigen belangen en een herkenbare dorpsidentiteit.
In 1577 kreeg Alcalalí bovendien een eigen parochie en werd het kerkelijk losgemaakt van Jalón, dat officieel Xaló heet. Een eigen parochie was van groot belang voor een kleine gemeenschap. Dopen, huwelijken, begrafenissen en religieuze feesten konden voortaan vanuit het dorp zelf worden georganiseerd en geregistreerd.
De kerkelijke zelfstandigheid laat zien dat Alcalalí in de zestiende eeuw voldoende inwoners en economische betekenis had om een eigen religieuze organisatie te dragen. De parochie werd naast het lokale bestuur een van de belangrijkste instellingen binnen de gemeenschap.
Toren beschermt het dorpshart
Het bekendste historische monument van Alcalalí is de middeleeuwse toren in het centrum. De toren werd aan het einde van de veertiende of het begin van de vijftiende eeuw gebouwd in opdracht van Mossèn Pedro de Castellví, heer van Alcalalí en Jalón, en zijn echtgenote Yolanda Pardo.
De bewoners van de Vall de Pop konden in deze periode worden bedreigd door rovers, rondtrekkende gewapende groepen en aanvallen die via de bergpassen het binnenland bereikten. Vooral de route over Coll de Rates vormde een mogelijke toegangsweg tot de vallei. De toren diende daarom als uitkijkpost en als laatste toevluchtsoord wanneer een aanval plaatsvond.
Het bouwwerk heeft een grondoppervlak van ongeveer zes bij acht meter en is circa achttien meter hoog. De dikke stenen muren, kleine openingen en verhoogde ingang maakten verdediging gemakkelijker. Binnen waren verschillende verdiepingen aangebracht die via een trap met elkaar waren verbonden.
De ruimtes hadden ieder een eigen functie. Er waren vertrekken voor de heren, slaapplaatsen, ruimte voor bedienden en verdedigers en bovenin een uitkijkplatform. Vanaf deze hoogte kon een groot deel van de Vall de Pop worden overzien.
Rond 1600 liet Eiximen Ruiz de Lihori naast de toren een herenhuis bouwen. Dit paleis en de toren werden met een verhoogde verbinding aan elkaar gekoppeld. Zo ontstond een verdedigbare residentie die zowel wooncomfort als bescherming moest bieden.
De familie Ruiz de Lihori speelde vervolgens lange tijd een belangrijke rol in Alcalalí. Het herenhuis, de toren en de later gebouwde kerk vormden samen het bestuurlijke en religieuze hart van het dorp. De familie behield haar plaatselijke heerschappij tot in de negentiende eeuw.
Een bijzonder onderdeel van de toren zijn de tekeningen en ingekraste afbeeldingen die op de binnenmuren zijn aangetroffen. Deze historische graffiti dateert voornamelijk uit de zestiende, zeventiende en achttiende eeuw. Er zijn onder meer kalenders, vogels, wapens, mensen, kruisen en schepen afgebeeld.
Vooral de afbeeldingen van schepen zijn opvallend, omdat Alcalalí ver van zee ligt. Mogelijk zijn sommige tekeningen gemaakt door zeelieden die tijdelijk in de toren verbleven. Volledige zekerheid daarover bestaat niet, maar de afbeeldingen geven wel een bijzonder persoonlijk inkijkje in het leven en de gedachten van vroegere gebruikers.
De gemeente kocht de toren in 1992. In de jaren daarna werd het gebouw gerestaureerd en opnieuw toegankelijk gemaakt. Op de bovenste verdieping kwam een modern uitkijkpunt, vanwaar bezoekers de Vall de Pop, Parcent, Jalón en de omliggende bergen kunnen zien.
De toren heeft de status van Bien de Interés Cultural. Dat is een van de belangrijkste Spaanse beschermingscategorieën voor cultureel erfgoed. Het gebouw wordt daardoor niet alleen beschouwd als een plaatselijk monument, maar als beschermd historisch erfgoed van bredere betekenis.
Moriscos verdwijnen uit Mosquera
Het begin van de zeventiende eeuw bracht een van de grootste breuken in de geschiedenis van Alcalalí. Koning Filips III besloot in 1609 alle Moriscos uit Spanje te verdrijven. In de regio Valencia vormden zij in veel dorpen een groot deel of zelfs de meerderheid van de bevolking.
De verdrijving had daardoor niet alleen religieuze en menselijke gevolgen, maar veroorzaakte ook een zware economische crisis. Landbouwgronden verloren hun bewerkers, huizen kwamen leeg te staan en kennis over water, terrassen en plaatselijke omstandigheden verdween met de inwoners.
Mosquera werd na de verdrijving volledig verlaten. De woningen, broodoven en watervoorzieningen verloren hun gebruikers. Alleen de kapel van Sant Joan de Mosquera en sporen in het landschap herinneren tegenwoordig nog aan de vroegere nederzetting.
Ook Alcalalí zelf raakte grotendeels ontvolkt. De uitzetting betekende dat families die generaties lang in de vallei hadden gewoond, hun huizen en grond moesten achterlaten. Zij werden onder dwang naar havens gebracht en vervolgens naar Noord-Afrika verscheept.
In de omliggende bergen vond verzet plaats. Veel Moriscos uit de Vall de Pop zochten bescherming in moeilijk toegankelijk terrein. De opstand werd uiteindelijk neergeslagen, waarna de verdrijving verder werd uitgevoerd.
Voor de achterblijvende landheren ontstond een groot probleem. Zonder inwoners konden landbouwgronden niet worden bewerkt en werden belastingen en pachten niet betaald. Alcalalí moest daarom zo snel mogelijk opnieuw worden bevolkt.
Nieuwe inwoners bouwen verder
In 1610 kreeg Alcalalí een nieuwe Carta Pobla. Dit was een bevolkingsbrief waarin werd vastgelegd onder welke voorwaarden nieuwe inwoners zich in het dorp mochten vestigen. Het document bepaalde onder meer welke grond zij mochten gebruiken en welke betalingen en verplichtingen tegenover de heer golden.
De eerste nieuwe bewoners kwamen vooral uit de Marina Baixa en nabijgelegen delen van de Marina Alta. Later vestigden zich ook mensen uit Catalonië en Mallorca in Alcalalí. Onder de Mallorcaanse nieuwkomers bevonden zich inwoners uit de omgeving van Manacor.
De herbevolking betekende geen onmiddellijke terugkeer naar de eerdere situatie. Verlaten landbouwterrassen moesten opnieuw worden onderhouden, huizen moesten worden hersteld en de nieuwe bewoners moesten leren omgaan met de plaatselijke bodem en waterhuishouding.
Ook de taal en cultuur veranderden. De nieuwe inwoners brachten hun eigen uitspraak, familienamen, landbouwgebruiken en tradities mee. Deze invloeden vermengden zich in de loop van de generaties met de gebruiken die in de Vall de Pop waren achtergebleven.
De gevolgen van deze herbevolking zijn nog terug te vinden in familienamen en in overeenkomsten tussen het Valenciaans van de Marina Alta en taalvormen op de Balearen. De huidige bevolking is vanzelfsprekend niet rechtstreeks tot één groep te herleiden, maar de verhuizingen van de zeventiende eeuw vormden wel een belangrijk nieuw begin.
Alcalalí bleef na 1610 een kleine landbouwgemeenschap. De plaatselijke heer behield veel invloed, terwijl de inwoners grond pachtten, belastingen betaalden en gezamenlijk werkten aan wegen, water en religieuze voorzieningen.
De geschiedenis van het dorp laat daarmee zien dat herbevolking niet alleen betekende dat lege huizen opnieuw werden gevuld. Er moest een volledige gemeenschap worden opgebouwd, met nieuwe sociale verbanden en een economie die opnieuw moest leren functioneren.
Kerk groeit met Alcalalí
De eerste bekende katholieke kerk van Alcalalí werd in 1577 gebouwd, hetzelfde jaar waarin het dorp een zelfstandige parochie werd. Al in 1582 volgde een tweede kerkgebouw. Dat wijst erop dat de oorspronkelijke ruimte al snel niet meer voldeed of dat de gemeenschap behoefte had aan een beter gebouw.
De huidige Iglesia de la Natividad de Nuestra Señora, in het Nederlands de Kerk van de Geboorte van Onze-Lieve-Vrouw, werd tussen 1768 en 1808 gebouwd. De lange bouwperiode laat zien hoeveel geld, arbeid en organisatie een dergelijk project van een kleine plattelandsgemeenschap vroeg.
De kerk kwam tegenover de middeleeuwse toren en het herenhuis te staan. Samen bepalen deze gebouwen nog altijd het silhouet van het historische centrum. De klokkentoren werd een nieuw herkenningspunt en nam een deel van de visuele hoofdrol van de oudere verdedigingstoren over.
Het kerkgebouw werd het centrum van religieuze feesten, processies en belangrijke momenten in het leven van inwoners. Geboorten, huwelijken en overlijdens werden in de parochieregisters vastgelegd. Deze documenten zijn tegenwoordig belangrijke bronnen voor families en onderzoekers die de geschiedenis van het dorp willen reconstrueren.
In de kerk worden verschillende beelden en religieuze voorwerpen bewaard. Een van de bekendste is de Cristo de la Salud, de Christus van de Gezondheid. Deze afbeelding speelt een belangrijke rol tijdens plaatselijke religieuze vieringen.
Bij de kerk hoort het parochiemuseum Sant Joan de Ribera. Hier worden onder meer oude kerkgewaden, schilderijen, beeldhouwwerk, boeken en zilveren religieuze voorwerpen bewaard. Ook kleding en bezittingen die met de familie Ruiz de Lihori worden verbonden, maken deel uit van de verzameling.
De kerk en het museum zijn niet altijd als gewone toeristische attractie geopend. Wie het interieur of de verzameling wil bekijken, kan het beste vooraf informeren naar de actuele bezoekmogelijkheden.
Landbouw bepaalt eeuwenlang het leven
Na de herbevolking bleef landbouw eeuwenlang de belangrijkste bron van inkomsten. De bewoners verbouwden gewassen die waren aangepast aan de droge mediterrane omstandigheden. Olijven, amandelen, druiven, granen en johannesbrood speelden ieder in verschillende perioden een rol.
De landbouw was sterk afhankelijk van regen. Slechts een beperkt deel van de grond kon intensiever van water worden voorzien. Op de drogere percelen werden vooral bomen en wijnstokken geplant die langere perioden zonder neerslag konden verdragen.
De inwoners bouwden terrassen tegen de hellingen om meer bruikbare landbouwgrond te creëren. Stenen muren hielden aarde tegen en verminderden erosie. Het onderhoud van deze muren vroeg veel handwerk, maar was noodzakelijk om het landschap productief te houden.
Olijven werden in een plaatselijke molen verwerkt tot olie. De gerestaureerde machines en werktuigen in het huidige etnologische museum laten zien hoeveel werk daarvoor nodig was. Dezelfde locatie werd ook gebruikt voor onderdelen van de wijnproductie.
Druiven werden niet alleen tot wijn en de zoete drank mistela verwerkt. Vooral in de negentiende eeuw werd de productie van rozijnen belangrijk in de Marina Alta. De druiven werden behandeld en vervolgens op droogvelden in de zon gelegd.
Bij veel landbouwbedrijven stond een riurau. Dit is een langwerpig gebouw met een overdekte galerij. Wanneer regen dreigde, konden de drogende druiven snel onder het dak worden gebracht. De karakteristieke bogen van riuraus zijn nog op verschillende plaatsen in de Marina Alta te zien.
De handel in rozijnen bracht meer geld en verbindingen met de kust. Producten werden via Dénia naar andere Europese landen verscheept. Ook dorpen in het binnenland profiteerden indirect van deze bloeiperiode.
De welvaart bleef echter kwetsbaar. Misoogsten, ziekten onder druivenstokken, droogte en veranderingen in de internationale handel konden grote gevolgen hebben. Veel gezinnen combineerden verschillende gewassen om het risico enigszins te spreiden.
Landbouw bepaalde bovendien het sociale ritme. Snoeien, bloeien, oogsten, persen en drogen vonden ieder in een eigen seizoen plaats. Families en buren hielpen elkaar bij werkzaamheden waarvoor tijdelijk veel handen nodig waren.
De huidige terrassen, amandelbomen, olijfgaarden en wijngaarden zijn daarom niet alleen mooi om te zien. Zij vormen het resultaat van eeuwen werk en vertellen hoe nauw de geschiedenis van Alcalalí met landbouw verbonden is.
Oorlog beschadigt kerk en dorp
De twintigste eeuw bracht grote politieke en maatschappelijke veranderingen. Tijdens de Spaanse Burgeroorlog, die van 1936 tot 1939 duurde, lag Alcalalí niet aan een belangrijk militair front. Toch ontsnapte het dorp niet aan de spanningen, tekorten en vernielingen die overal in Spanje voelbaar waren.
De parochiekerk werd tijdens de oorlog grotendeels verwoest. Religieuze kunst en kerkelijke voorwerpen liepen gevaar te verdwijnen of te worden vernietigd. Verschillende inwoners verborgen waardevolle stukken in hun eigen woningen.
Na de oorlog werden de bewaarde voorwerpen teruggegeven. Dat maakt dit onderdeel van de geschiedenis bijzonder: het erfgoed bleef niet uitsluitend behouden door officiële instellingen, maar ook doordat individuele inwoners besloten het tijdelijk te beschermen.
De wederopbouw van de kerk duurde vele jaren en werd in 1961 voltooid. Het huidige gebouw bevat daardoor zowel onderdelen van de achttiende- en negentiende-eeuwse kerk als elementen die tijdens de twintigste-eeuwse restauratie zijn aangebracht.
De jaren na de Burgeroorlog waren economisch moeilijk. In landelijke gemeenten waren gezinnen sterk afhankelijk van eigen oogsten, familiehulp en het hergebruik van vrijwel alle beschikbare materialen. Veel producten waren schaars en de landbouw bleef zwaar lichamelijk werk.
Vanaf de jaren vijftig en zestig vertrokken inwoners naar grotere steden, industriële gebieden en andere landen. Zij zochten werk en betere kansen buiten de landbouw. Deze uittocht veranderde de bevolkingssamenstelling en liet op sommige plaatsen landbouwgrond onbeheerd achter.
Tegelijk kwamen elektriciteit, leidingwater, betere wegen, voertuigen en moderne huishoudelijke voorzieningen beschikbaar. Het dagelijkse leven veranderde daardoor in enkele tientallen jaren sterker dan in veel eeuwen daarvoor.
Modern Alcalalí bewaart verleden
In de tweede helft van de twintigste eeuw veranderde Alcalalí opnieuw. De nabijgelegen kustplaatsen groeiden door toerisme en woningbouw, terwijl steeds meer buitenlandse bewoners de rustigere dorpen van de Vall de Pop ontdekten.
Oude dorpshuizen werden gerestaureerd en op omliggende percelen verschenen vrijstaande woningen. Britten, Duitsers, Nederlanders, Belgen en inwoners uit andere landen vestigden zich in en rond Alcalalí. De internationale bevolking vormt tegenwoordig een zichtbaar onderdeel van de gemeente.
Deze ontwikkeling bracht nieuwe inkomsten voor horeca, bouwbedrijven, winkels, makelaars en onderhoudsdiensten. Tegelijk veranderde de woningmarkt en werd een deel van de vroegere landbouwgrond gebruikt voor wonen of recreatie.
De gemeente ging meer aandacht besteden aan het historische erfgoed. De middeleeuwse toren werd aangekocht en gerestaureerd, de oude graffiti werd onderzocht en de bovenste verdieping werd opnieuw als uitkijkpunt ingericht.
Ook het etnologische museum draagt bij aan het behoud van de plaatselijke geschiedenis. De gerestaureerde olijf- en wijnmolen laat zien hoe landbouwproducten vroeger werden verwerkt en hoeveel kennis en arbeid daarbij kwamen kijken.
De beschermde toren, de kerk, het herenhuis en de oude straten vormen tegenwoordig samen een erfgoedroute door het centrum. Hierdoor kunnen bezoekers het verleden niet alleen lezen, maar ook tijdens een wandeling ervaren.
Evenementen rond landbouw, bloesem, gastronomie en plaatselijke producten leggen eveneens een verbinding met het verleden. De traditionele amandelteelt is door plantenziekten en veranderingen in de landbouw zwaar getroffen, maar blijft deel uitmaken van de identiteit en het collectieve geheugen van Alcalalí.
Het landschap staat ondertussen voor nieuwe uitdagingen. Droogte, natuurbrandgevaar, verlaten landbouwterrassen en klimaatverandering maken het moeilijker om oude landbouwvormen voort te zetten. De aandacht verschuift daarom ook naar gewassen zoals de johannesbroodboom, die goed bestand is tegen droge omstandigheden.
De geschiedenis van Alcalalí is daarmee nog niet afgesloten. De gemeente blijft veranderen door nieuwe inwoners, andere economische omstandigheden en de zoektocht naar een evenwicht tussen wonen, landbouw, erfgoed en natuur.
Geschiedenis blijft overal zichtbaar
Wie Alcalalí bezoekt, hoeft niet lang te zoeken naar sporen van het verleden. De middeleeuwse toren en kerk bepalen het dorpssilhouet, terwijl het vroegere herenhuis herinnert aan de adellijke families die eeuwenlang invloed uitoefenden.
In de straten rond het centrum zijn traditionele huizen, binnenplaatsen en eenvoudige gevels bewaard gebleven. Niet ieder gebouw is monumentaal, maar samen laten zij zien hoe een klein landbouwdorp zich in de loop van de tijd heeft ontwikkeld.
Buiten het centrum vertellen terrassen, stenen muren, oude waterwerken en landbouwpaden een ander deel van het verhaal. Zij maken duidelijk dat geschiedenis niet alleen door bestuurders en adellijke families werd gemaakt, maar vooral door mensen die dagelijks op het land werkten.
De kapel van Sant Joan de Mosquera herinnert aan een verdwenen nederzetting en aan de Moriscos die na 1609 hun woonplaats moesten achterlaten. De locatie maakt de gevolgen van deze historische gebeurtenis tastbaarder dan een jaartal in een geschiedenisboek.
De Carta Pobla uit 1610 staat vervolgens symbool voor het nieuwe begin. Inwoners uit nabijgelegen streken, Catalonië en Mallorca bouwden een nieuwe gemeenschap op en gaven het dorp mede de taal en cultuur die tegenwoordig herkenbaar zijn.
De kerk vertelt over religie, oorlog en wederopbouw. De toren laat zien hoe bewoners bescherming zochten en bevat door haar ingekraste tekeningen persoonlijke sporen van mensen die eeuwen geleden in het gebouw verbleven.
De geschiedenis van Alcalalí bestaat daardoor uit verschillende lagen: prehistorische aanwezigheid, islamitische landbouw, christelijke verovering, feodale heren, gedwongen verdrijving, herbevolking, landbouwbloei, oorlog, emigratie en de komst van een omvangrijke internationale gemeenschap.
Voor Nederlanders en Belgen die nadenken over wonen in Alicante of emigreren naar Spanje is deze geschiedenis meer dan alleen achtergrondinformatie. Zij verklaart waarom het landschap eruitziet zoals het eruitziet, waarom Spaans en Valenciaans naast elkaar worden gebruikt en waarom plaatselijke tradities nog altijd belangrijk zijn.
Wie meer over de gemeente wil ontdekken, kan op MijnAlicante.nl verder lezen over de ligging en het karakter van Alcalalí en over de bezienswaardigheden van Alcalalí.
Alcalalí heeft geen geschiedenis van wereldrijken of beroemde veldslagen. Het is vooral het verhaal van gewone inwoners die een droog landschap bewerkbaar maakten, na ontvolking opnieuw begonnen en hun dorp telkens aan nieuwe omstandigheden aanpasten. Juist die menselijke schaal maakt het verleden van Alcalalí zo herkenbaar en waardevol.
Dit artikel is voor het laatst bijgewerkt op 26 juli 2026.