
Eeuwen geschiedenis in de bergen
La Vall de Laguar ligt in het bergachtige binnenland van de Marina Alta in de provincie Alicante. Tussen de Serra del Cavall Verd, de Barranc de l’Infern en het stroomgebied van de rivier Girona liggen verhalen van bewoning, landbouw, verovering, verdrijving en herstel. De geschiedenis van La Vall de Laguar is niet alleen terug te vinden in documenten en jaartallen. Zij is zichtbaar in duizenden stenen treden, verlaten boerderijen, bronnen, kerken, terrassen en paden die zich langs steile hellingen slingeren.
De huidige gemeente bestaat uit Campell, Fleix, Benimaurell en Fontilles. Campell wordt traditioneel het Poble de Baix genoemd, het benedendorp. Fleix staat bekend als het Poble d’Enmig, het middelste dorp, en Benimaurell als het Poble de Dalt, het bovendorp. Fontilles ontstond veel later rond een zorginstelling en heeft daardoor een andere geschiedenis en uitstraling.
De ligging verklaart veel van de ontwikkeling van de vallei. Het gebied bood bescherming tegen aanvallers, maar maakte het dagelijkse leven zwaar. Bewoners moesten waterbronnen benutten, berghellingen omvormen tot landbouwgrond en veilige routes aanleggen tussen huizen, akkers en omliggende valleien.
De muren en terrassen die tegenwoordig zo schilderachtig lijken, waren geen versiering. Zij waren noodzakelijk om regenwater af te remmen en vruchtbare aarde op de hellingen vast te houden. Iedere muur vertegenwoordigt uren zwaar handwerk. Iedere stenen trap maakte een moeilijk bereikbare akker of bron toegankelijk.
Voor Nederlanders en Belgen die Alicante vooral kennen van badplaatsen, stranden en boulevards laat La Vall de Laguar zien dat de provincie een veel langere en complexere geschiedenis heeft. Hier vormden bergen geen achtergrond voor toerisme, maar een bepalende kracht in het bestaan van generaties bewoners.
Eerste bewoners van de vallei
Rotstekeningen uit het Neolithicum
De vroegste bekende sporen van mensen in de omgeving bestaan uit rotsschilderingen in natuurlijke schuilplaatsen binnen het stroomgebied van de rivier Girona. De schilderingen zijn uitgevoerd in Levantijnse, schematische en macroschematische stijlen en worden in verband gebracht met het Neolithicum.
Het Neolithicum was de periode waarin gemeenschappen steeds vaker op vaste plaatsen gingen wonen en landbouw en veeteelt ontwikkelden. De bewoners van het gebied maakten gebruik van natuurlijke schuilplaatsen, waterbronnen en routes door de bergen.
De rotsschilderingen bewijzen niet dat de huidige dorpen toen al bestonden. Zij laten wel zien dat mensen het landschap duizenden jaren geleden al gebruikten en er betekenis aan gaven. Jacht, dieren, menselijke figuren en abstracte symbolen vormden onderdelen van hun beeldwereld.
In de Cova del Tamborí zijn eveneens prehistorische werktuigen en resten van mensen en dieren gevonden. Zulke vondsten helpen archeologen om te begrijpen hoe vroegere bewoners leefden, maar veel vragen blijven onbeantwoord. Schriftelijke bronnen uit deze periode bestaan niet, waardoor onderzoekers afhankelijk zijn van materiaal dat in grotten, schuilplaatsen en de bodem bewaard bleef.
Bergen boden voedsel en bescherming
Het berggebied bood verschillende voordelen. Hoger gelegen plekken gaven overzicht over toegangswegen en valleien, terwijl bronnen en tijdelijke waterstromen drinkwater leverden. Grotten en rotswanden boden beschutting tegen regen, wind en zon.
Tegelijkertijd was het terrein moeilijk. Vlakke landbouwgrond was schaars en natuurlijke paden waren steil. Het landschap vroeg daardoor al vroeg om kennis van seizoenen, water, dieren en bruikbare planten.
Uit latere perioden zijn in de bredere Marina Alta sporen uit de Iberische en Romeinse tijd bekend. Het is echter moeilijk om iedere losse vondst rechtstreeks aan de huidige dorpen van La Vall de Laguar te koppelen. Het zichtbare nederzettingspatroon van de huidige vallei kreeg vooral tijdens de islamitische periode vorm.
Andalusisch Laguar krijgt vorm
Naam komt uit het Arabisch
Vanaf het begin van de achtste eeuw kwam een groot deel van het Iberisch Schiereiland onder islamitisch bestuur. Het gebied werd onderdeel van Al-Andalus. De Marina Alta behoorde later tot het invloedrijke islamitische rijk van Dénia, dat vooral in de elfde eeuw een belangrijke politieke en economische macht was.
De naam Laguar is afgeleid van het Arabische Al-Agwar. Deze naam wordt gewoonlijk vertaald als “de grotten” of “de holten”. De benaming past bij het landschap met grotten, ravijnen, rotswanden en natuurlijke schuilplaatsen.
De exacte uitspraak en schrijfwijze veranderden door de eeuwen heen. Arabische namen werden aangepast aan Valenciaanse en Spaanse taalvormen. Toch bleef de oorspronkelijke verwijzing naar het landschap herkenbaar.
Vier nederzettingen in de vallei
Tijdens de Andalusische periode lagen in de vallei vier alquerías: Benimaurell, Campell, Fleix en Isbert. Een alquería was een kleine landelijke nederzetting met woningen, akkers en gemeenschappelijke voorzieningen.
De bewoners leefden van landbouw, veeteelt en plaatselijke handel. Op de terrassen verbouwden zij onder meer graan, vijgen, druiven, olijven en amandelen. Water uit bronnen en ravijnen werd via eenvoudige kanalen en bassins verdeeld.
De dorpen waren klein en compact. Huizen stonden dicht bij elkaar en volgden de vorm van het terrein. Smalle straten boden schaduw en bescherming tegen wind. De nederzettingen lagen op plekken waar bewoners toegang hadden tot landbouwgrond en tegelijkertijd zicht hielden op de toegangswegen.
Benimaurell, Campell en Fleix groeiden later uit tot de huidige dorpen. Isbert verdween uiteindelijk als bewoonde kern, maar de naam bleef behouden in onder meer de Estret d’Isbert, de bron, de dam en het historische landschap rond de lagere rivierloop.
Kastelen en wachttorens
De vier nederzettingen werden bewaakt door een systeem van versterkingen. In het lagere deel van de vallei lag het Castell de les Atzavares, tegenover het huidige Fontilles. Vanaf deze strategische hoogte konden de toegang tot de vallei en de vlakte van de Girona worden gecontroleerd.
Bij Campell stond de Torre de la Casota. Deze wachttoren wordt in verband gebracht met de Almohadische periode aan het einde van de twaalfde en het begin van de dertiende eeuw. De toren bood uitzicht over de toegang tot de vallei en maakte het mogelijk signalen door te geven.
De versterkingen waren geen grote kastelen zoals bezoekers die tegenwoordig uit toeristische gebieden kennen. Zij bestonden uit muren, torens en natuurlijke rotsformaties die samen een verdedigbaar geheel vormden.
Van het Castell de les Atzavares en de Casota zijn slechts delen bewaard gebleven. De ruïnes zijn kwetsbaar en liggen in bergachtig terrein. Bezoekers moeten de resten niet beklimmen of stenen verplaatsen.
Al-Azraq en Castell del Pop
Verzet tegen Jaume I
In de dertiende eeuw breidde koning Jaume I van Aragón, in het Spaans Jaime I genoemd, zijn macht uit over het huidige Valenciaanse gebied. De verovering verliep niet overal snel of zonder verzet.
Een van zijn belangrijkste tegenstanders was de islamitische leider al-Azraq. Zijn bijnaam wordt vaak vertaald als “de Blauwe”. Hij beheerste verschillende valleien en versterkingen in het bergachtige noorden van Alicante.
Het Castell del Pop speelde een belangrijke rol binnen dit berggebied. Het kasteel lag op of nabij de opvallende dubbele top van de Cavall Verd en vormde het centrum van een groter islamitisch machtsgebied.
Al-Azraq verzette zich meerdere keren tegen de christelijke uitbreiding. Het bergachtige terrein hielp hem om de strijd lang vol te houden. Volgens de plaatselijke geschiedschrijving behield hij tot 1258 invloed in het gebied.
De christelijke verovering betekende niet dat de islamitische bevolking onmiddellijk verdween. De nieuwe machthebbers hadden de bewoners nodig om de akkers te bewerken en belastingen te betalen. Daardoor bleven veel gemeenschappen aanvankelijk op hun grond wonen.
Mudéjars blijven in de bergen
Moslims die na de christelijke verovering onder christelijk bestuur bleven leven, worden mudéjars genoemd. Zij mochten hun geloof en gebruiken aanvankelijk gedeeltelijk behouden, maar stonden in een ondergeschikte positie.
De mudéjars moesten belastingen betalen aan christelijke heren en kregen te maken met veranderende eigendomsrechten. Hun bewegingsvrijheid en religieuze mogelijkheden werden geleidelijk beperkter.
In moeilijk bereikbare valleien bleven taal, landbouwgewoonten en familierelaties langer behouden dan in steden met een grotere christelijke bevolking. La Vall de Laguar bleef daardoor sterk verbonden met haar islamitische wortels.
De samenwerking tussen bewoners en nieuwe machthebbers was kwetsbaar. Perioden van relatieve rust werden afgewisseld met conflicten, opstanden en strafmaatregelen. Wie aan een opstand had deelgenomen, kon grond verliezen of uit het gebied worden verbannen.
Legende van het groene paard
De vorm van de bergketen inspireerde de naam Cavall Verd, het groene paard. Twee toppen met een insnijding ertussen doen vanuit bepaalde richtingen denken aan de rug en het zadel van een paard.
Rond de berg ontstonden verschillende legendes. Een daarvan vertelt over een voorspelling dat een groen paard de islamitische bevolking in moeilijke tijden zou redden. In andere versies wordt gesproken over een reusachtige krijger die met zijn paard in de berg begraven zou liggen.
Deze verhalen zijn geen controleerbare historische gebeurtenissen. Ze laten wel zien hoe bewoners het landschap gebruikten om herinneringen, angsten en hoop door te geven.
Na de tragedie van 1609 kreeg de Cavall Verd een extra symbolische betekenis. De berg werd verbonden met het laatste verzet van mensen die hoopten dat het terrein hen opnieuw bescherming zou bieden.
Van moslims naar moriscos
Aan het begin van de zestiende eeuw werden veel moslims in het koninkrijk Valencia gedwongen zich tot het christendom te bekeren. Na deze officiële bekering werden zij en hun nakomelingen moriscos genoemd.
Moriscos waren dus geen buitenlandse nieuwkomers. Het waren bewoners van Spanje wier families vaak al eeuwen in dezelfde dorpen leefden. Zij waren officieel christelijk, maar werden voortdurend verdacht van het behouden van islamitische gebruiken.
De kerk en overheid controleerden huwelijken, kleding, taal, voedsel en religieuze gewoonten. Arabische teksten werden verboden en traditionele gebruiken konden als bewijs van onvoldoende bekering worden gezien.
De druk was niet overal gelijk. In afgelegen berggebieden konden sommige gewoonten langer blijven bestaan. Tegelijk vergrootte juist die afzondering het wantrouwen van de autoriteiten.
De moriscos bleven een onmisbare rol spelen in de landbouw. Zij onderhielden terrassen, verbouwden gewassen en beschikten over plaatselijke kennis van bronnen en waterverdeling. Hun economische belang beschermde hen echter niet tegen de uiteindelijke verdrijving.
Expulsiebevel breekt de gemeenschap
Op 22 september 1609 werd in het koninkrijk Valencia het bevel tot verdrijving van de moriscos bekendgemaakt. Het besluit was genomen onder koning Filips III.
De bewoners kregen slechts korte tijd om hun huizen en gronden achter te laten. Zij mochten een beperkt deel van hun bezit meenemen en moesten zich bij aangewezen havens melden voor deportatie naar Noord-Afrika.
Voor de Marina Alta betekende dit dat een groot deel van de bevolking ineens moest verdwijnen. In sommige binnenlandse valleien vormden de moriscos ongeveer twee derde van alle inwoners.
Geruchten over mishandeling, beroving en moord tijdens eerdere overtochten vergrootten de angst. Veel gezinnen geloofden niet dat zij veilig aan de overkant zouden aankomen. Anderen wilden eenvoudigweg hun geboortegrond niet verlaten.
Duizenden vluchten naar Laguar
Na het verdrijvingsbevel trokken moriscos uit Xaló, Murla, La Vall d’Ebo, La Vall de Gallinera, Guadalest, Altea en andere plaatsen richting La Vall de Laguar. De plaatselijke bewoners waren aanvankelijk nog in hun eigen dorpen aanwezig.
Het aantal mensen in de vallei groeide volgens historische bronnen tot ongeveer 23.000. Daaronder bevonden zich mannen, vrouwen, kinderen en ouderen. Het ging dus niet uitsluitend om een strijdmacht.
De bergen boden natuurlijke bescherming, maar waren niet geschikt om zo veel mensen langdurig van voedsel en water te voorzien. De hoop was dat de steile hellingen en smalle doorgangen het koninklijke leger op afstand zouden houden.
Een deel van de opstandelingen bezette het Castell de les Atzavares. Vanuit deze versterking hielden zij de toegang tot de vallei in de gaten. Steeds meer groepen sloten zich bij hen aan.
Op 28 oktober kwamen ook moriscos uit Parcent naar het gebied. Tijdens hun tocht door Murla ontstonden confrontaties met de christelijke bevolking van die plaats.
Atzavares valt in november
De christelijke autoriteiten verzamelden soldaten om het verzet te breken. Op 4 november arriveerde Sancho de Luna vanuit Dénia met troepen in Murla.
Het leger richtte zich vervolgens op het Castell de les Atzavares. Op 16 november werd de versterking ingenomen. De moriscos trokken zich terug naar het hoger gelegen Castell del Pop en de rotsen van de Cavall Verd.
Andere koninklijke troepen probeerden via Benigembla en het Pla de Garga de vallei te bereiken. Het bergachtige terrein maakte de opmars zwaar en leidde tot gevechten op verschillende plaatsen.
De dorpen Benimaurell, Fleix en Campell kwamen uiteindelijk in handen van de christelijke troepen. De overlevenden werden verder omhooggedreven, waar voedsel en water steeds schaarser werden.
Laatste verzet op Cavall Verd
De laatste grote groep hield ongeveer acht dagen stand bij het Castell del Pop en de kliffen van de Cavall Verd. De plek was moeilijk bereikbaar, maar bood nauwelijks water voor de duizenden mensen die er vastzaten.
De koninklijke troepen sloten de toegangen af. Uitputting, honger en dorst maakten verder verzet steeds moeilijker. Pogingen om over een overeenkomst te onderhandelen leverden geen duurzame oplossing op.
Op 29 november 1609 gaven de overgebleven moriscos zich over. De val van de Cavall Verd betekende het einde van een van de laatste grote verzetshaarden tegen de verdrijving in het koninkrijk Valencia.
Hoeveel mensen precies tijdens de strijd, vlucht en daaropvolgende chaos omkwamen, is niet met zekerheid vast te stellen. Historische afbeeldingen en verslagen spreken over grote aantallen slachtoffers en gevangenen.
Voor La Vall de Laguar werd de berg daarmee een plaats van collectieve herinnering. Het landschap dat eerder bescherming had geboden, werd het toneel van verlies en gedwongen vertrek.
Deportatie via de kust
Na de overgave werden de overlevenden naar de kust geleid. Veel mensen werden via de haven van Dénia naar Oran en andere plaatsen in Noord-Afrika verscheept.
Dénia was een van de belangrijkste vertrekhavens tijdens de verdrijving. Een zeventiende-eeuwse afbeelding vermeldt dat daar 47.600 moriscos werden ingescheept. Dit aantal heeft betrekking op mensen uit een veel groter gebied dan alleen La Vall de Laguar.
De reis betekende geen veilige overgang naar een nieuw leven. Mensen werden onderweg beroofd, families raakten gescheiden en veel gedeporteerden kwamen in Noord-Afrika terecht als vreemdelingen zonder bestaansmiddelen.
De verdrijving was geen vrijwillige emigratie. Het was een door de staat georganiseerde deportatie van mensen die hun woningen, akkers, familiegraven en gemeenschap moesten achterlaten.
Dorpen raken vrijwel leeg
Na de verdrijving stonden grote delen van La Vall de Laguar leeg. Huizen werden niet onderhouden en akkers bleven onbewerkt. Terrasmuren stortten in en waterwerken raakten beschadigd.
De landeigenaren verloren niet alleen huurders en belastingbetalers, maar ook de mensen die de ingewikkelde landbouwsystemen kenden. Nieuwe bewoners konden de aanwezige infrastructuur gebruiken, maar moesten leren hoe bronnen, bodems en hellingen functioneerden.
De economische gevolgen waren groot. Olijven, druiven, graan, vijgen en andere producten werden niet meer in dezelfde hoeveelheden verbouwd. Het herstel duurde jaren.
Ook cultureel betekende de verdrijving een breuk. Taal, verhalen, recepten en religieuze herinneringen verdwenen grotendeels uit het openbare leven. Toch bleef veel kennis indirect aanwezig in plaatsnamen, terrassen en waterwerken.
Mallorcanen bouwen Laguar opnieuw
Herbevolkingsakte van 1611
Op 14 juni 1611 werd een carta puebla ondertekend. Dit was een herbevolkingsakte waarin werd vastgelegd onder welke voorwaarden nieuwe bewoners zich in de verlaten dorpen mochten vestigen.
De documenten regelden onder meer het gebruik van huizen en landbouwgrond, betalingen aan de plaatselijke heer en verplichtingen rond het onderhoud van de omgeving.
In totaal kwamen volgens de regionale geschiedschrijving 69 nieuwe bewoners van Mallorca. Van hen waren er 31 geboren in Artà, 10 in Manacor, 7 in Llucmajor en 3 in Petra. De overige kolonisten kwamen uit andere Mallorcaanse plaatsen.
De nieuwe bewoners troffen geen lege, gebruiksklare woningen aan. Zij moesten huizen herstellen, waterwegen schoonmaken en verlaten terrassen weer geschikt maken voor landbouw.
De herbevolking verliep niet zonder problemen. Sommige kolonisten vertrokken opnieuw, terwijl anderen familieleden of nieuwe bewoners aantrokken. Langzaam ontstond een gemeenschap die de huidige dorpen vormgaf.
Namen bewaren Mallorcaanse herkomst
De Mallorcaanse oorsprong bleef zichtbaar in familienamen als Ballester, Moll, Mas en Mengual. Veel van deze namen komen ook tegenwoordig nog in La Vall de Laguar en omliggende gemeenten voor.
Ook in uitspraak, woordgebruik, gerechten en tradities zijn invloeden van de Balearen herkenbaar. Sobrasada en bepaalde worsten werden onderdeel van de plaatselijke keuken.
De kolonisten brachten niet eenvoudigweg een volledig nieuwe cultuur mee. Zij namen een landschap en infrastructuur over die door eerdere islamitische en moriscogemeenschappen waren opgebouwd.
Daardoor ontstond een mengeling. De religieuze en bestuurlijke structuur werd christelijk, terwijl plaatsnamen, terrassen, waterwerken en veel landbouwpraktijken uit eerdere perioden bleven bestaan.
Band met Petra blijft bestaan
De verbinding met Mallorca wordt tegenwoordig opnieuw onder de aandacht gebracht. La Vall de Laguar en Petra werken aan culturele en jeugdige uitwisselingen rond hun gedeelde geschiedenis.
Petra was een van de Mallorcaanse plaatsen waar in de zeventiende eeuw nieuwe bewoners vandaan kwamen. Ruim vier eeuwen later wordt die historische band gebruikt voor educatieve, culturele en toeristische samenwerking.
In 2026 nam een delegatie uit La Vall de Laguar met jongeren deel aan activiteiten in Petra. Het doel is niet alleen terugkijken, maar ook nieuwe contacten opbouwen tussen gemeenschappen die door de herbevolking van 1611 met elkaar verbonden zijn.
Isbert verdwijnt als woonkern
De Andalusische nederzetting Isbert ontwikkelde zich na de verdrijving niet tot een modern dorp zoals Campell, Fleix en Benimaurell. Archeologische resten wijzen op een verlaten woonkern uit ongeveer de twaalfde tot en met de zestiende eeuw.
De naam bleef echter bestaan. De Estret d’Isbert is de smalle doorgang waardoor de Girona de lagere vallei verlaat. Ook de Font d’Isbert en de Presa d’Isbert dragen de oude plaatsnaam.
Resten van woningen, keramiek en landbouwstructuren maken duidelijk dat het gebied vroeger bewoond en bewerkt werd. Bezoekers moeten zulke vindplaatsen ongemoeid laten. Het meenemen van aardewerk of andere resten beschadigt het archeologische verhaal.
Kerken bepalen nieuw dorpsbeeld
Na de gedwongen bekeringen en de latere herbevolking veranderde ook het religieuze landschap. Eerdere moskeeën werden vervangen door christelijke gebedsruimtes en kerken.
De huidige kerken dateren grotendeels uit de zeventiende en achttiende eeuw. Zij werden gebouwd toen de nieuwe gemeenschap voldoende stabiel en talrijk was geworden om grotere gebouwen te onderhouden.
Campell bouwt op moskee
Na de kerkelijke herindeling van 1535 werd in Campell een bescheiden christelijk gebedshuis gebouwd op de plaats van de islamitische moskee.
Na de herbevolking van de zeventiende eeuw verrees de kerk van Santa Anna. Het gebouw kreeg een rechthoekige plattegrond, een tongewelf en zijkapellen. Het dwarsschip en hoofdaltaar werden rond 1700 gebouwd.
De kerk werd een belangrijk middelpunt voor doop, huwelijk, begrafenis en dorpsfeesten. Het historische parochiearchief bevatte waardevolle informatie over gezinnen en gebeurtenissen na de herbevolking.
Fleix krijgt kerk in 1730
De huidige kerk van Sant Pasqual Bailón in Fleix werd vanaf 1730 gebouwd. Zij bestaat uit één rechthoekige hoofdbeuk met zijkapellen.
De kerk bleef kerkelijk verbonden met Campell. De vierkante klokkentoren, het uurwerk en de centrale ligging geven Fleix een herkenbaar dorpsbeeld.
Fleix groeide uit tot de bestuurlijke kern van de gemeente. Het gemeentehuis en verschillende gemeentelijke voorzieningen bevinden zich tegenwoordig in dit middelste dorp.
Benimaurell behoudt oude kern
Ook de kerk van de heiligen Cosmas en Damianus in Benimaurell staat op of bij de plek van een vroegere moskee. De huidige kerk dateert hoofdzakelijk uit de achttiende eeuw.
Het gebouw heeft een eenvoudige mediterrane uitstraling. De voorgevel grenst aan een karakteristiek plein waar een oude moerbeiboom voor schaduw zorgt.
Benimaurell werd pas in 1953 een zelfstandige parochie. De priester van Campell bedient tegenwoordig ook de kerken van Fleix en Benimaurell.
Landbouw vormt het landschap
Na de herbevolking werd landbouw opnieuw de basis van het bestaan. Gezinnen verbouwden graan, olijven, amandelen, vijgen, druiven, johannesbrood en later steeds meer kersen.
De percelen waren klein en lagen verspreid over hellingen en ravijnen. Om de grond te bereiken, liepen landbouwers dagelijks over lange stenen trappen en muilezelpaden.
Een mislukte oogst kon ernstige gevolgen hebben. Gezinnen beschikten nauwelijks over financiële reserves en waren afhankelijk van regen en plaatselijke bronnen.
Sommige zeer steile terrassen worden bancals de la fam genoemd, terrassen van de honger. De naam herinnert aan perioden waarin mensen uit nood zelfs de moeilijkste stukken grond probeerden te bewerken.
Les Juvees als tijdelijke woningen
In en rond de Barranc de l’Infern liggen Les Juvees de Dalt en Les Juvees d’Enmig. Dit zijn groepen eenvoudige landelijke gebouwen die tijdens drukke landbouwperioden als tijdelijke woon- en opslagplaats werden gebruikt.
De naam houdt verband met de jovada, een oude oppervlaktemaat voor de hoeveelheid grond die een span ossen in één dag kon ploegen.
De woningen hadden stenen muren, houten balken, rieten plafonds en daken met keramische pannen. Binnen was ruimte voor landbouwproducten, werktuigen, een muilezel en een eenvoudige slaapplaats.
Boeren verbleven er tijdens de oogst omdat de dagelijkse tocht tussen het dorp en de afgelegen terrassen te veel tijd en kracht kostte.
De gebouwen herinneren eraan dat het gebied tegenwoordig een populaire wandelbestemming is, maar vroeger vooral een zwaar en afgelegen werklandschap was.
Droge steen bewaart grond
De terrassen werden gebouwd met pedra seca, droge-steentechniek. Stenen werden zonder cement zo geplaatst dat zij samen een stabiele muur vormden.
Een goed gebouwde muur houdt aarde tegen, maar laat regenwater door kleine openingen ontsnappen. Hierdoor neemt de druk achter de muur minder snel toe.
De internationale kennis en technieken van droge-steenbouw werden in 2018 door UNESCO erkend als immaterieel cultureel erfgoed. Dat betekent niet dat iedere afzonderlijke muur automatisch een beschermd monument is, maar wel dat de bouwkennis cultureel bijzonder waardevol wordt gevonden.
Veel muren zijn tegenwoordig kwetsbaar doordat landbouwpercelen niet meer actief worden onderhouden. Wanneer een muur instort, verdwijnt niet alleen erfgoed. Ook de kans op erosie en wegspoelende grond neemt toe.
Rozijnenhandel en landbouwcrisis
In de negentiende eeuw profiteerde de Marina Alta van de internationale handel in rozijnen. Druiven werden gedroogd en via de haven van Dénia naar Noord-Europa en andere markten verscheept.
De handel bracht inkomsten, maar maakte de streek ook afhankelijk van één belangrijk exportproduct. Toen druivenziekten en veranderende markten toesloegen, kwamen veel gezinnen in financiële problemen.
De druifluis phylloxera beschadigde grote delen van de wijnbouw. Gronden moesten opnieuw worden beplant of kregen een andere bestemming. Amandelen, olijven, johannesbrood en kersen werden belangrijker.
De crisis versterkte de emigratie. Jongeren vertrokken naar kustplaatsen, steden, Frankrijk, Noord-Afrika en andere gebieden waar meer werk beschikbaar was.
Isbertdam lost belofte niet in
Aan het einde van de negentiende eeuw ontstond het plan om bij Isbert een stuwdam aan te leggen. De dam moest water beschikbaar maken voor ongeveer 10.000 hectare landbouwgrond rond La Rectoria en Dénia.
De plannen kwamen aanvankelijk moeilijk van de grond. Pas in 1928 begon de eerste bouwfase. In 1931 was een dam van 27 meter hoog voltooid.
Na de Spaanse Burgeroorlog werd een groter project uitgevoerd. De dam werd verhoogd tot ongeveer 60 meter en het stuwmeer moest miljoenen kubieke meters water kunnen vasthouden.
In 1944 werd het reservoir gevuld, maar binnen twintig dagen liep het vrijwel volledig leeg. De kalkstenen bodem en wanden bleken water door te laten.
Plannen om het stuwmeer waterdicht te maken werden nooit volledig uitgevoerd. De dam functioneerde daardoor niet zoals oorspronkelijk bedoeld.
Toch is het bouwwerk niet zonder hydrologische betekenis. Het vertraagt water en draagt bij aan het aanvullen van ondergrondse watervoorraden. Beneden de dam ontstaat bovendien de Toll Blau, een waterplek die een groot deel van het jaar water bevat.
Fontilles verandert medische zorg
Sanatorium opent in 1909
Aan het begin van de twintigste eeuw kreeg La Vall de Laguar een bijzondere plaats in de Spaanse medische geschiedenis. De jezuïet Carlos Ferrís en advocaat Joaquín Ballester maakten vanaf 1902 plannen voor een sanatorium voor mensen met lepra.
Lepra, tegenwoordig ook de ziekte van Hansen genoemd, was toen een ernstig medisch en sociaal probleem. Er bestond veel angst en onwetendheid. Patiënten werden geregeld door familie en samenleving verstoten.
De initiatiefnemers wilden meer bieden dan afzondering. Hun doel was medische zorg, onderdak, menselijk contact en geestelijke ondersteuning.
Na zeven jaar voorbereiding opende het Sanatorio San Francisco de Borja in 1909. Patiënten kwamen uit verschillende delen van Spanje.
Het complex ontwikkelde zich tot een kleine nederzetting met woningen, een kerk, werkplaatsen, landbouw, een bakkerij, timmerwerkplaats, smederij, drukkerij, schoenmakerij en andere voorzieningen.
Muur groeit rond Fontilles
De opening van het sanatorium veroorzaakte veel angst in omliggende dorpen. Bewoners waren bang voor besmetting en protesteerden tegen de aanwezigheid van de instelling.
In 1923 werd rond een deel van Fontilles een muur gebouwd van ongeveer drie kilometer lang en drie meter hoog. De muur moest de bezorgdheid in de omgeving verminderen en beperkte tegelijkertijd de vrijheid van patiënten.
De geschiedenis van de muur laat zien hoe mensen met lepra niet alleen door hun ziekte werden getroffen, maar ook door stigma en uitsluiting.
De relatie tussen Fontilles en de omgeving verbeterde later. Het sanatorium bood werk aan inwoners uit de streek en ontwikkelde zich tot een internationaal bekend centrum voor behandeling en onderzoek.
Onderzoek en behandeling verbeteren
In 1922 begon Fontilles met een laboratorium en onderzoeksprojecten. Het centrum zocht contact met internationale medische instellingen om kennis over lepra uit te wisselen.
In 1927 kreeg Fontilles de status van nationaal opleidingsinstituut voor leprologie. Artsen, verpleegkundigen en andere zorgverleners werden er opgeleid.
Vanaf 1945 werd sulfoon gebruikt, het eerste geneesmiddel waarmee het verloop van lepra effectief kon worden gestopt. Latere medicijnen maakten de behandeling steeds beter.
Door de medische vooruitgang hoefden patiënten minder lang in Fontilles te wonen. Steeds meer mensen konden thuis worden behandeld en kwamen alleen voor controles naar het centrum.
In de loop van zijn geschiedenis bood Fontilles zorg of onderdak aan bijna 3.000 mensen met lepra. Het historische archief bewaart brieven, medische documenten, foto’s, tijdschriften, gebruiksvoorwerpen en persoonlijke verhalen.
Fontilles werkt tegenwoordig breder voor de gezondheid en het welzijn van kwetsbare mensen. Het historische complex ligt verspreid over grondgebied dat verbonden is met La Vall de Laguar, Murla en Orba. De huidige zorgfunctie en privacy moeten bij een bezoek altijd worden gerespecteerd.
Leegloop in twintigste eeuw
In de twintigste eeuw veranderde het leven in de drie dorpen sterk. Betere wegen, onderwijs en nieuwe banen buiten de landbouw vergrootten de mogelijkheden om elders een bestaan op te bouwen.
Vooral vanaf het midden van de eeuw trokken jonge inwoners naar Dénia, Valencia, Alicante en industriegebieden. Ook de groei van het toerisme aan de Costa Blanca bood werk in bouw, horeca, handel en dienstverlening.
De landbouw kon steeds minder gezinnen een volledig inkomen bieden. Kleine percelen, zware arbeid en onzekere opbrengsten maakten het moeilijk om jongeren in de vallei te houden.
Huizen kwamen leeg te staan en terrassen werden niet langer onderhouden. Oudere inwoners bleven achter, terwijl kinderen en kleinkinderen tijdens weekenden en feesten terugkeerden.
De ontvolking betekende niet dat de band met de dorpen verdween. Veel families hielden hun woning en grond. Dorpsfeesten bleven momenten waarop voormalige bewoners opnieuw samenkwamen.
Nieuwe bewoners ontdekken de vallei
Vanaf de laatste decennia van de twintigste eeuw groeide de belangstelling voor het binnenland. Spaanse stedelingen en buitenlandse woningzoekers ontdekten de rust, woningen en landschappen van La Vall de Laguar.
Een deel van de leegstaande huizen werd gerestaureerd. Nieuwe bewoners uit onder meer het Verenigd Koninkrijk, Nederland, België, Duitsland en Frankrijk vestigden zich permanent of gebruikten hun woning tijdens vakanties.
De komst van nieuwe bewoners leverde werk op voor bouwbedrijven, horeca en andere lokale ondernemingen. Tegelijk ontstonden vragen over woningprijzen, tweede woningen en het behoud van het dorpskarakter.
Ook wandeltoerisme groeide. De PR-CV 147 door de Barranc de l’Infern werd bekend als de Route van de 6.000 trappen en de kathedraal van het wandelen.
De populariteit bracht bezoekers en inkomsten, maar ook parkeerdruk, afval en slijtage van paden. De vallei moest opnieuw zoeken naar een evenwicht tussen economische mogelijkheden en bescherming van bewoners en landschap.
Geschiedenis leeft in 2026
De geschiedenis van La Vall de Laguar wordt tegenwoordig niet alleen bewaard in boeken. Gemeente, erfgoedorganisaties, verenigingen en bewoners organiseren routes, tentoonstellingen en activiteiten rond het moriscoverleden, de Mallorcaanse herbevolking en het landelijke erfgoed.
De gebeurtenissen van 1609 worden steeds vaker bekeken vanuit het perspectief van de mensen die hun geboortegrond verloren. Daarbij gaat aandacht uit naar geweld, gedwongen migratie en het langdurige effect op de samenleving.
Ook Fontilles werkt aan het behoud van zijn archief en gebouwen. De documenten vertellen niet alleen de geschiedenis van één ziekte, maar ook die van zorg, wetenschappelijk onderzoek, religie, uitsluiting en veranderende ideeën over menselijke waardigheid.
Het samenwerkingsproject met Petra laat zien hoe een gebeurtenis uit 1611 nog altijd nieuwe verbindingen kan opleveren. Jongeren uit beide gemeenten leren waarom familienamen, taal en gewoonten aan weerszijden van de Middellandse Zee met elkaar verbonden zijn.
Stenen blijven het geheugen
Wie nu door Campell, Fleix of Benimaurell loopt, ziet niet overal informatieborden of opgegraven monumenten. Veel geschiedenis is subtieler aanwezig.
De ligging van de dorpen herinnert aan de Andalusische nederzettingen. Kerken staan op of nabij vroegere moskeeën. Familienamen verwijzen naar Mallorca en bergpaden volgen routes die generaties landbouwers gebruikten.
De trappen in de Barranc de l’Infern vertellen niet alleen over een beroemde wandeling. Zij tonen hoe zwaar het was om afgelegen terrassen te bereiken. Les Juvees herinneren aan mensen die tijdens de oogst tijdelijk bij hun grond bleven slapen.
De ruïnes van Atzavares en de Casota laten zien hoe belangrijk bewaking en verdediging waren. De Cavall Verd bewaart het verhaal van verzet, maar ook de legenden waarmee bewoners die geschiedenis betekenis gaven.
De muur van Fontilles vertelt over angst en afzondering. De laboratoria, archieven en woningen vertellen tegelijk over zorg, wetenschappelijk onderzoek en mensen die ondanks uitsluiting een gemeenschap opbouwden.
Meer over La Vall de Laguar
Wie de historische gebeurtenissen wil plaatsen in het huidige landschap kan verder lezen bij de algemene informatie over La Vall de Laguar.
Meer informatie over de Barranc de l’Infern, de Cavall Verd, flora, fauna en wandelveiligheid staat bij de natuur rond La Vall de Laguar.
Bezienswaardigheden, wandelingen, gastronomie, Fontilles en andere uitstapjes worden beschreven bij toerisme in La Vall de Laguar.
Nederlanders en Belgen die overwegen te emigreren naar Spanje en in de vallei te gaan wonen, vinden praktische informatie over woningen, voorzieningen en bereikbaarheid bij wonen in La Vall de Laguar.
Verleden blijft zichtbaar
De geschiedenis van La Vall de Laguar omvat veel meer dan de morisco-opstand van 1609. Het verhaal begint bij prehistorische rotsschilderingen en loopt via Andalusische nederzettingen, kastelen, landbouwterrassen, christelijke verovering, gedwongen bekering en deportatie naar de herbevolking vanuit Mallorca.
Daarna volgden eeuwen van zwaar landbouwleven, internationale rozijnenhandel, emigratie en economische onzekerheid. De bouw van de Isbertdam liet zien hoe bewoners hoopten water en landbouw toekomstbestendiger te maken, ook al werkte het reservoir uiteindelijk niet zoals gepland.
Fontilles voegde een medische en sociale geschiedenis toe die ver buiten de gemeente betekenis kreeg. Het sanatorium bood een thuis aan mensen die elders vaak werden afgewezen en speelde een belangrijke rol in onderzoek en behandeling.
In de twintigste eeuw dreigde ontvolking het dorpsleven uit te hollen. Nieuwe bewoners, wandeltoerisme en aandacht voor erfgoed brachten later nieuwe mogelijkheden, maar ook de verantwoordelijkheid om de vallei zorgvuldig te beschermen.
La Vall de Laguar heeft oorlog, verdrijving, ziekte, armoede en leegloop meegemaakt. Toch bleef de vallei bewoond en herkenbaar. Iedere generatie paste bestaande gebouwen, paden en terrassen aan nieuwe omstandigheden aan.
Wie vandaag door de dorpen of de Barranc de l’Infern wandelt, beweegt daardoor door een landschap waarin natuur en menselijke geschiedenis nauwelijks van elkaar zijn te scheiden. De bergen maakten het leven zwaar, maar boden ook bescherming, identiteit en verbondenheid.
Juist die combinatie maakt La Vall de Laguar tot een van de meest betekenisvolle historische plekken in het binnenland van Alicante. Het is geen openluchtmuseum waarin de tijd stilstaat, maar een levende gemeente die haar verleden blijft onderzoeken, bewaren en doorgeven.
Dit artikel is voor het laatst bijgewerkt op 31 juli 2026.