Historie van La Vall d'Alcalà

Historisch landschap van La Vall d'Alcalà in de Marina Alta

Vroege bewoners van de vallei

Lang voordat La Vall d'Alcalà bekend werd door de figuur van Al-Azraq, kende de vallei al een uitzonderlijk lange menselijke aanwezigheid. Archeologische vondsten maken duidelijk dat mensen dit bergachtige deel van de Marina Alta al tienduizenden jaren gebruiken. Bij het Barranquet de Beniaia zijn stenen werktuigen gevonden die ongeveer 90.000 jaar oud worden geschat. Daarmee behoort La Vall d'Alcalà tot de gebieden in de Comunitat Valenciana waar de menselijke geschiedenis bijzonder ver teruggaat. De bergen, grotten, waterpunten en natuurlijke doorgangen boden beschutting en mogelijkheden om te jagen en voedsel te verzamelen.

Een andere bijzondere plek is de Cova del Pelegrí, waar rotstekeningen zijn aangetroffen die naar schatting ongeveer 21.000 jaar oud zijn. Onder de afbeeldingen bevindt zich een dierfiguur die als een geitachtige wordt geïnterpreteerd. Zulke vondsten maken duidelijk dat het landschap van La Vall d'Alcalà voor prehistorische mensen niet alleen een plek was om te overleven, maar ook een omgeving waarin zij symbolen en afbeeldingen achterlieten.

Van groot archeologisch belang is het Abric del Tossal de la Roca, een rotsschuilplaats die gedurende duizenden jaren werd gebruikt. Onderzoek wijst op bewoning tussen ongeveer 14.000 en 7.500 jaar geleden. Archeologen vonden er stenen en benen werktuigen, gegraveerde voorwerpen en zelfs een bijzondere harpoen die binnen het westelijke Middellandse Zeegebied zeldzaam is. Verschillende vondsten uit deze vindplaats worden tegenwoordig bewaard in het MARQ, het archeologisch museum van Alicante.

Ook uit latere prehistorische perioden zijn in La Vall d'Alcalà duidelijke sporen gevonden. Bij het Racó del Condoig bevindt zich Levantijnse rotsschilderkunst, terwijl bij het Barranc de la Gleda een schematische menselijke figuur is aangetroffen. In de Cova del Passet werd bovendien een collectieve begraafplaats gevonden met menselijke resten, aardewerk, gereedschappen en sieraden. Dergelijke vondsten laten zien dat het gebied niet slechts incidenteel werd bezocht, maar gedurende zeer lange perioden deel uitmaakte van het leefgebied van verschillende menselijke gemeenschappen.

Uit de bronstijd zijn nederzettingen bekend op hoger gelegen plekken zoals de Penya de la Retura en het Tossal de la Roca. In de Iberische periode ontwikkelde zich vervolgens een belangrijke nederzetting op het plateau van El Xarpolar. Deze plek werd tussen ongeveer de vijfde en eerste eeuw voor Christus bewoond door Iberiërs die tot de Contestani worden gerekend. Er zijn onder meer wapens, gedecoreerd aardewerk en munten gevonden.

Opvallend is dat er ondanks de lange bewoningsgeschiedenis tot nu toe geen archeologische resten uit de Romeinse periode in La Vall d'Alcalà zelf zijn aangetroffen. De bredere Marina Alta maakte vanzelfsprekend wel deel uit van de Romeinse wereld en Dianium, het huidige Dénia, was een belangrijk regionaal centrum. Toch ontbreekt voor de vallei zelf momenteel het archeologische bewijs om van daadwerkelijke Romeinse bewoning te spreken. Dat onderscheid is belangrijk, omdat oudere beschrijvingen van de geschiedenis van La Vall d'Alcalà soms automatisch een Romeinse fase veronderstellen.

De oudste geschiedenis van La Vall d'Alcalà laat daarmee vooral zien hoe aantrekkelijk dit berglandschap gedurende duizenden jaren is geweest. Water, grotten, natuurlijke beschutting en routes tussen verschillende valleien maakten bewoning mogelijk. Wie vandaag door de vallei wandelt, ziet daardoor niet alleen natuur en landbouwterrassen, maar beweegt zich door een landschap waarin menselijke aanwezigheid tot ver in de prehistorie kan worden teruggevolgd.

Islamitische periode en Al-Azraq

De middeleeuwen betekenden een beslissende fase voor La Vall d'Alcalà. Vanaf de islamitische periode veranderden het landschap en de organisatie van de samenleving sterk. In de twaalfde eeuw vormde Alcalà het centrum van een zogenoemd valiat, een bestuurlijk gebied onder leiding van een lokale islamitische machthebber dat afhankelijk was van de Taifa van Valencia. Een taifa was een van de islamitische vorstendommen waarin delen van het Iberisch Schiereiland in bepaalde perioden waren verdeeld.

De vallei was in deze periode veel dichter bevolkt dan tegenwoordig. Historische bronnen noemen verschillende islamitische alquerías, kleine landelijke nederzettingen of gehuchten. Tot de plaatsen die met de historische Vall d'Alcalà worden verbonden behoren onder meer Benibullfasem, het huidige Jovada, l'Atzuvieta, La Roca, Benialí, Benixarco, Beniaia en La Queirola. Ook Benissili, tegenwoordig onderdeel van Vall de Gallinera, behoorde in de middeleeuwen tot dit grotere historische gebied.

Waterbeheer, terrassenlandbouw, veeteelt en lokale versterkingen speelden een grote rol. De bewoners maakten gebruik van bronnen en bergstromen en legden terrassen aan om de steile hellingen geschikt te maken voor landbouw. Veel structuren in het huidige landschap bouwen voort op een geschiedenis die in de islamitische periode een belangrijke ontwikkeling doormaakte. Plaatsnamen, paden, waterwerken en voormalige nederzettingen herinneren nog altijd aan deze tijd.

Historische resten en berglandschap rond La Vall d'Alcalà

In de dertiende eeuw kwam La Vall d'Alcalà nauw verbonden te staan met Al-Azraq, een van de bekendste islamitische leiders uit de geschiedenis van het huidige Alicante. Volgens regionale historische bronnen werd hij tussen ongeveer 1218 en 1220 in Alcalà geboren. Zijn Arabische bijnaam betekent zoveel als de blauwogige. Hij beheerste verschillende kastelen en gebieden in de bergstreken van het huidige noorden van Alicante en het zuiden van Valencia.

De moeilijke geografie speelde in zijn voordeel. Smalle valleien, bergpassen en kastelen maakten het voor grotere legers moeilijk om het gebied volledig onder controle te krijgen. Al-Azraq wist hierdoor langdurig een eigen machtspositie te behouden terwijl de christelijke verovering van het Koninkrijk Valencia steeds verder oprukte.

Een sleutelstuk in deze geschiedenis is het Verdrag van Pouet. Op 16 april 1244 sloot Al-Azraq een overeenkomst met de infante Alfons, zoon van koning Jaume I. In het verdrag werden afspraken gemaakt over verschillende kastelen en de verhouding tussen beide machtsblokken. Het document is bijzonder omdat er een Arabische en Romaanse versie van is overgeleverd. Het biedt daarmee een zeldzame directe blik op onderhandelingen tussen islamitische en christelijke machthebbers tijdens de verovering van het Koninkrijk Valencia.

De vrede hield uiteindelijk geen stand. In de daaropvolgende decennia ontstonden verschillende perioden van opstand en verzet. Al-Azraq groeide uit tot de belangrijkste leider van het islamitische verzet in de berggebieden. Zijn kennis van het terrein en zijn politieke contacten maakten hem langdurig tot een tegenstander van de christelijke kroon. Uiteindelijk stierf hij in 1276 bij Alcoy tijdens een nieuwe opstand.

Rond de precieze locatie van zijn machtscentrum bestaat een belangrijke historische nuance. In Alcalà de la Jovada leefde lange tijd het idee dat zijn belangrijkste residentie zich midden in het huidige dorp bevond. Documentatie vermeldt echter zijn alberch major, zijn hoofdresidentie, bij Al-qa'la, het kasteel dat tegenwoordig wordt geïdentificeerd met het Castillo de Alcalà bij Benissili in Vall de Gallinera. Dat gebied maakte in de dertiende eeuw deel uit van de historische Vall d'Alcalà. De sterke band tussen Al-Azraq en het huidige Alcalà de la Jovada blijft dus bestaan, maar de precieze locatie van zijn hoofdkwartier ligt waarschijnlijk buiten de huidige gemeentegrens.

Vandaag leeft zijn herinnering nadrukkelijk voort in La Vall d'Alcalà. De Plaça Al-Azraq, een borstbeeld, de bekende fontein waarvan de wateruitloop het gezicht van de islamitische leider voorstelt, historische routes en culturele evenementen houden zijn naam levend. Voor bezoekers uit Nederland en België is het interessant om te beseffen dat Al-Azraq hier niet alleen een historische figuur is, maar ook onderdeel is geworden van de hedendaagse identiteit van de vallei.

Christelijke macht en Moriscos

Na de christelijke verovering veranderde de politieke macht, maar dat betekende niet dat de islamitische bevolking onmiddellijk uit La Vall d'Alcalà verdween. Integendeel: de valleien in dit bergachtige deel van het Koninkrijk Valencia bleven gedurende eeuwen in belangrijke mate bevolkt door dezelfde families. Zij leefden aanvankelijk als mudéjares, moslims die onder christelijk bestuur mochten blijven wonen.

De bevolking behield veel van haar eigen landbouwkennis, sociale structuren, taal en religieuze gebruiken. Voor de christelijke grondbezitters was deze bevolking bovendien economisch belangrijk. De inwoners kenden het landschap, onderhouden de terrassen en irrigatiesystemen en zorgden voor de landbouwproductie in een omgeving die voor buitenstaanders moeilijk te bewerken was.

In de zestiende eeuw veranderde de positie van deze bevolking verder door gedwongen bekering tot het christendom. Vanaf dat moment wordt gesproken over Moriscos: mensen van islamitische afkomst die officieel christelijk waren, terwijl binnen veel gemeenschappen delen van de oude cultuur en gebruiken behouden bleven. Voor Nederlanders en Belgen is het belangrijk om het verschil tussen mudéjares en Moriscos te kennen, omdat beide begrippen vaak door elkaar worden gebruikt.

De verhouding met de christelijke autoriteiten bleef gespannen. De overheid vreesde onder meer dat de Moriscos banden zouden onderhouden met vijanden van de Spaanse kroon en probeerde hun taal en gebruiken steeds verder te beperken. Tegelijkertijd waren zij economisch onmisbaar voor veel landeigenaren in het Koninkrijk Valencia.

In La Vall d'Alcalà waren de Moriscos aan het begin van de zeventiende eeuw nog altijd de kern van de plaatselijke bevolking. De vallei bestond uit meerdere kleine woonkernen en was veel dichter bevolkt dan tegenwoordig. Die samenleving kwam in 1609 abrupt onder enorme druk te staan toen koning Filips III besloot de Moriscos uit Spanje te verdrijven.

In de berggebieden van Alicante leidde dat besluit tot verzet. De valleien van de Marina Alta vormden een belangrijk gebied tijdens de gebeurtenissen rond de verdrijving. Uiteindelijk moesten de Morisco-families vertrekken en werden zij via havens aan de Middellandse Zee naar Noord-Afrika verscheept. Voor La Vall d'Alcalà betekende dit niet alleen het verdwijnen van inwoners, maar ook het uiteenvallen van een landbouwsamenleving die hier eeuwenlang had bestaan.

Landbouwgrond verloor tijdelijk zijn gebruikers, huizen kwamen leeg te staan en nederzettingen veranderden ingrijpend. De gevolgen van 1609 zijn tot op de dag van vandaag zichtbaar. Juist de verlaten Morisco-gehuchten rond Alcalà de la Jovada maken La Vall d'Alcalà tot een van de belangrijkste plekken in Alicante om deze periode te begrijpen.

L'Atzuvieta als stille getuige

Een van de belangrijkste historische plekken in La Vall d'Alcalà is het voormalige Morisco-gehucht l'Atzuvieta, ten noorden van Alcalà de la Jovada. De nederzetting wordt beschouwd als het grootste en best bewaarde Morisco-dorp van de Comunitat Valenciana en vormt een vrijwel uniek voorbeeld van de ontwikkeling van landelijke islamitische architectuur in dit deel van Spanje.

De eerste bekende schriftelijke verwijzing naar l'Atzuvieta dateert uit 1356. Kort vóór de verdrijving van de Moriscos in 1609 woonden er volgens historische gegevens zeventien gezinnen. Voor een hedendaagse bezoeker klinkt dat misschien klein, maar binnen de versnipperde bewoningsstructuur van de bergvalleien was het een betekenisvolle gemeenschap.

Het complex bestaat uit verschillende groepen woningen. Archeologisch onderzoek onderscheidt zes groepen of bouwblokken die dicht bij elkaar liggen. Vooral het westelijke gedeelte is opvallend goed bewaard gebleven. Op sommige plaatsen staan de muren nog bijna tot de oorspronkelijke dakhoogte overeind. Daardoor is niet alleen de plattegrond van de nederzetting te herkennen, maar kan een bezoeker ook een redelijk goed beeld krijgen van de schaal van de woningen.

De huizen werden gebouwd met verschillende traditionele technieken, waaronder gestampte aarde en metselwerk van steen. Sommige bouwmethoden stammen vermoedelijk uit de Morisco-periode, terwijl andere aanpassingen waarschijnlijk afkomstig zijn van bewoners die later in de zeventiende eeuw in de huizen gingen wonen. Juist deze combinatie maakt de nederzetting archeologisch interessant.

De verdrijving in 1609 betekende namelijk niet dat l'Atzuvieta vanaf dat moment volledig verlaten bleef. Christelijke kolonisten namen in de loop van de zeventiende eeuw verschillende huizen opnieuw in gebruik. Pas rond het einde van de zeventiende of het begin van de achttiende eeuw werd de nederzetting definitief als woonplaats verlaten. Daarna bleven delen van de gebouwen nog lange tijd in gebruik als stallen en opslagplaatsen voor landbouw en vee.

Dat latere praktische gebruik heeft er paradoxaal genoeg mede voor gezorgd dat bepaalde muren en structuren bewaard bleven. Wie tegenwoordig tussen de ruïnes wandelt, ziet daardoor bouwsporen uit verschillende fasen. Het gaat niet om een gereconstrueerd openluchtmuseum, maar om authentieke archeologische resten die door de eeuwen heen telkens opnieuw zijn gebruikt.

L'Atzuvieta is bovendien niet de enige beschermde Morisco-nederzetting in La Vall d'Alcalà. Ook La Roca, La Cairola en El Benialí zijn archeologisch van grote waarde. In 2012 verklaarde de Generalitat Valenciana alle vier officieel tot Bien de Interés Cultural, afgekort BIC, in de categorie archeologische zone. Een BIC is een van de hoogste vormen van wettelijke bescherming voor cultureel erfgoed in Spanje.

Voor de toeristische en historische betekenis van La Vall d'Alcalà is l'Atzuvieta daarmee van uitzonderlijk belang. Het maakt duidelijk dat de geschiedenis van de vallei niet alleen draait om koningen, verdragen en Al-Azraq, maar juist ook om het dagelijkse leven van boerenfamilies. Wie meer wil weten over deze historische plekken kan het bezoek combineren met de pagina over toerisme in La Vall d'Alcalà.

Herstel na de verdrijving

Na de verdrijving van de Moriscos begon een moeizame periode van herbevolking. De grondbezitters hadden nieuwe inwoners nodig om akkers opnieuw te bewerken en de verlaten woningen en landbouwterrassen in gebruik te nemen. Een belangrijk moment kwam op 17 augustus 1611, toen voor delen van La Vall d'Alcalà een nieuwe bevolkingsakte, een zogenoemde carta pobla, werd uitgevaardigd.

Zo'n carta pobla was een overeenkomst waarin werd vastgelegd onder welke voorwaarden nieuwe bewoners zich op het land van een heer mochten vestigen en landbouwgrond konden gebruiken. Voor La Vall d'Alcalà had deze overeenkomst betrekking op onder andere La Jovada, La Roca en Beniaia. Niet alle voormalige Morisco-gehuchten werden opnieuw als volwaardig dorp opgebouwd.

De herbevolking kwam uit verschillende richtingen. Onderzoek naar de Marina Alta laat zien dat een opvallend aantal nieuwe bewoners uit Ibi kwam, terwijl ook families vanuit Mallorca en andere plaatsen in het Koninkrijk Valencia naar de vallei verhuisden. Vooral Beniaia kende een duidelijke aanwezigheid van Mallorcaanse kolonisten. Achternamen die in historische documenten verschijnen, herinneren aan deze nieuwe bevolkingsfase.

Landelijk erfgoed en oude bebouwing in La Vall d'Alcalà

De overgang verliep niet van de ene op de andere dag. Sommige voormalige nederzettingen werden opnieuw gebruikt, terwijl andere uiteindelijk voorgoed verdwenen. El Benialí werd na de verdrijving bijvoorbeeld weer bewoond door christelijke kolonisten en bleef tot het begin van de achttiende eeuw in gebruik. Van het gehucht zijn tegenwoordig nog verschillende huizen bewaard die later als veekraal werden aangepast.

Ook het religieuze landschap veranderde sterk. In Beniaia werd in 1615 een kerk gebouwd die tegenwoordig eveneens aan de Purísima Concepción is gewijd. In Alcalà de la Jovada werd de huidige parochiekerk in 1636 ingewijd. Het gebouw staat op een plek die met een vroegere moskee en oudere verdedigings- of residentiële structuren wordt verbonden.

De kerk van Alcalà de la Jovada kent door de eeuwen heen verschillende beschermheiligen en benamingen. Zij was achtereenvolgens verbonden met de heiligen Abdón en Senén, Onze-Lieve-Vrouw van de Assumptie en Onze-Lieve-Vrouw van de Pilar. Tegenwoordig is de officiële naam echter Iglesia Parroquial de la Purísima Concepción. De Virgen del Pilar blijft wel een belangrijke plaatselijke devotie en haar feest wordt op 12 oktober gevierd. Daardoor worden beide namen in oudere en toeristische informatie nog geregeld door elkaar gebruikt.

De kerk werd een belangrijk centrum in de christelijke samenleving die na 1609 ontstond. Daarmee veranderde de zichtbare identiteit van Alcalà de la Jovada, maar het islamitische en Morisco-verleden verdween nooit helemaal. Onder en rond de huidige bebouwing bleven oudere structuren aanwezig, terwijl namen, paden, landbouwterrassen en ruïnes de herinnering aan de eerdere bevolking behielden.

Juist die opeenvolging van bevolkingsgroepen maakt La Vall d'Alcalà bijzonder. De huidige vallei is niet het product van één historische periode, maar van vele lagen: prehistorische bewoners, Iberiërs, de islamitische samenleving van Al-Andalus, mudéjares, Moriscos en de christelijke kolonisten die na 1609 naar het gebied kwamen.

Landbouw en dorpsleven

De achttiende en negentiende eeuw stonden voor La Vall d'Alcalà vooral in het teken van landbouw, veeteelt en zelfvoorziening. Het bestaan werd bepaald door het ritme van zaaien, oogsten, waterbeheer, dieren en religieuze feestdagen. Het berglandschap bood mogelijkheden, maar stelde ook duidelijke grenzen. Vlakke grond was schaars en iedere bruikbare helling moest met stenen terrassen geschikt worden gemaakt voor landbouw.

Deze terrassen zijn tegenwoordig een van de meest herkenbare onderdelen van het landschap. De stenen muren voorkwamen dat vruchtbare grond na hevige regenval van de hellingen spoelde. Smalle paden verbonden de akkers met Alcalà de la Jovada, Beniaia, bronnen en de omliggende bergen. Veel van die oude verbindingen zijn tegenwoordig onderdeel geworden van wandelroutes.

Landbouw bestond onder meer uit graan, olijven, amandelen, vijgen en later in belangrijke mate ook kersen. De ligging op hoogte en de verschillen tussen dag- en nachttemperaturen zijn gunstig voor verschillende fruitsoorten. De kers is tegenwoordig een van de producten waarmee de bergvalleien in dit deel van Alicante sterk worden geassocieerd.

Een bijzondere historische economische activiteit was de handel in sneeuw en ijs. In de bergen liggen oude neveras, stenen sneeuwputten waarin tijdens koude perioden sneeuw werd verzameld en samengeperst. De sneeuw werd met lagen stro geïsoleerd en kon later als ijs worden verkocht. Dit ijs werd onder meer naar steden en naar de kust vervoerd.

Bij Alcalà de la Jovada bevinden zich onder andere de Nevera de Baix en de Nevera de Dalt. De Nevera de Baix dateert uit de zeventiende eeuw en ligt op ongeveer zeshonderd meter lopen van de dorpskern. De aanwezigheid van deze putten laat zien dat het berggebied deel uitmaakte van een groter economisch netwerk. Wat tegenwoordig vooral een mooi wandelgebied is, leverde vroeger producten waarmee gezinnen inkomsten konden verdienen.

Ook waterwerken waren essentieel. In Alcalà de la Jovada zijn resten van een oud aquaduct zichtbaar dat water naar de nederzetting voerde. Het oude openbare washuis, gebouwd in 1928, en een voormalige watermolen herinneren eveneens aan het centrale belang van water in het dagelijks leven. Tegenover het washuis ligt bovendien een oude olijfpers.

In de negentiende eeuw veranderde Spanje politiek en economisch sterk, maar de grote industriële ontwikkeling ging grotendeels aan La Vall d'Alcalà voorbij. Nabijgelegen plaatsen als Alcoy en Cocentaina ontwikkelden industrie, terwijl de bergvallei sterk agrarisch bleef. Voor vervoer naar markten en steden waren inwoners afhankelijk van moeilijke bergwegen en paden.

Toch was de gemeente destijds aanzienlijk groter dan tegenwoordig. Historische volkstellingen laten zien dat het inwonertal in de negentiende eeuw in bepaalde jaren ruim boven de zeshonderd lag. Daarmee waren Alcalà de la Jovada en Beniaia samen veel levendiger dan de huidige omvang doet vermoeden. Het landschap dat tegenwoordig leeg en stil kan lijken, was toen intensief in gebruik.

Twintigste eeuw en leegloop

Het begin van de twintigste eeuw vormde demografisch een hoogtepunt. In 1900 telde La Vall d'Alcalà volgens historische bevolkingscijfers 571 inwoners. In 1910 waren dat er zelfs 642. Meer dan vier keer zoveel mensen als tegenwoordig leefden toen verspreid over Alcalà de la Jovada en Beniaia en werkten vooral in de landbouw en veeteelt.

Daarna begon een ontwikkeling die vrijwel de gehele twintigste eeuw zou bepalen: bevolkingsverlies. In 1920 waren nog 532 inwoners geregistreerd, in 1950 ongeveer 504 en in 1960 ongeveer 402. Tien jaar later, in 1970, waren er nog maar ongeveer 305 inwoners. In 1981 zakte het aantal tot rond 171.

Stil dorpsbeeld in La Vall d'Alcalà na jaren van ontvolking

De oorzaken zijn herkenbaar voor veel dorpen in het Spaanse binnenland. Landbouw bood steeds minder werk aan steeds minder mensen. Tegelijk groeiden industriële plaatsen en kustgemeenten. Bewoners trokken onder meer richting Pego, Oliva, Gandia, Muro de Alcoy, Cocentaina en Alcoy, waar meer banen, onderwijs en voorzieningen beschikbaar waren. Later zorgde de snelle groei van het toerisme aan de Costa Blanca eveneens voor werkgelegenheid buiten de vallei.

Ook de Spaanse Burgeroorlog van 1936 tot 1939 en de moeilijke jaren daarna vormden onderdeel van deze twintigste-eeuwse geschiedenis. Hoewel een klein bergdorp als La Vall d'Alcalà ver verwijderd was van veel grote stedelijke gebeurtenissen, ontkwam de bevolking niet aan de economische en maatschappelijke gevolgen van oorlog en politieke verdeeldheid. Onderzoek naar de Marina Alta vermeldt dat in de gemeente tijdens de oorlog ook geëvacueerde kinderen uit andere delen van Spanje werden opgevangen.

De periode na de Burgeroorlog werd gekenmerkt door schaarste en beperkte economische mogelijkheden. Landbouw bleef belangrijk, maar bood steeds minder toekomstperspectief voor jonge generaties. Toen Spanje vanaf de jaren zestig economisch veranderde en de kust van Alicante zich razendsnel ontwikkelde, werd de aantrekkingskracht van werk buiten de vallei steeds groter.

Voor Beniaia waren de gevolgen extra zichtbaar. De toch al zeer kleine bevolking liep verder terug en verschillende huizen werden minder intensief gebruikt. Alcalà de la Jovada bleef als bestuurlijk centrum de grootste kern, maar ook daar nam de bevolking sterk af.

Toch verdween La Vall d'Alcalà niet. Families bleven verbonden aan hun geboortegrond en woningen en keerden voor weekenden en dorpsfeesten terug. Sommige huizen die niet meer permanent werden bewoond bleven als familiebezit behouden. Daardoor ontstond een patroon dat in veel kleine Spaanse dorpen herkenbaar is: het officiële inwonertal daalde sterk, terwijl de bevolking tijdens vakantieperioden en feesten tijdelijk weer groeide.

De leegloop veranderde ook het landschap. Landbouwterrassen die vroeger intensief werden onderhouden raakten deels verlaten en begroeiing keerde terug. Oude paden verloren hun dagelijkse economische functie en werden later wandelroutes. De stilte die bezoekers tegenwoordig vaak als grote charme van La Vall d'Alcalà ervaren, is daarmee deels het resultaat van een ingrijpende demografische verandering.

Erfgoed in de 21e eeuw

In de eenentwintigste eeuw is de kijk op deze geschiedenis veranderd. Waar verlaten nederzettingen, sneeuwputten en oude landbouwterrassen ooit vooral werden gezien als resten van een verdwenen levenswijze, worden zij tegenwoordig steeds vaker beschouwd als waardevol cultureel erfgoed. La Vall d'Alcalà heeft daardoor een nieuw soort betekenis gekregen voor toerisme en historisch onderzoek.

De officiële bescherming van l'Atzuvieta, La Roca, La Cairola en El Benialí als archeologische zones in 2012 was een belangrijke stap. Niet alleen de muren zelf worden beschermd, maar ook hun directe omgeving, omdat daar nog archeologische vondsten kunnen liggen. Hierdoor wordt voorkomen dat nieuwe bebouwing of ingrepen het historische karakter van de plekken onherstelbaar aantasten.

In Alcalà de la Jovada zelf is eveneens steeds meer aandacht gekomen voor het zichtbaar maken van de geschiedenis. Een zelfgeleide historische wandeling van ongeveer 1,6 kilometer brengt bezoekers langs verschillende plekken in en rond de dorpskern. De route begint bij de omgeving van de Plaça Al-Azraq en voert langs de kerk, historische waterwerken en andere herinneringen aan het vroegere dorpsleven.

Op het plein staat het gemeentehuis en bevindt zich de parochiekerk van de Purísima Concepción. Verderop herinnert de bekende bron met het gezicht van Al-Azraq aan de middeleeuwse leider. Via de Carrer de la Torre kan men richting de resten van het oude aquaduct lopen dat ooit water naar de nederzetting bracht.

Op weg naar het washuis passeert men een borstbeeld van Al-Azraq. Het openbare washuis uit 1928 laat zien hoe recent een deel van het traditionele dorpsleven eigenlijk nog is. Tegenover het washuis staat een oude olijfpers en verderop bevindt zich de voormalige hydraulische molen, die tegenwoordig als woning wordt gebruikt.

Wie verder wandelt kan de Nevera de Baix bereiken. Deze zeventiende-eeuwse sneeuwput is een tastbare herinnering aan een tijd waarin sneeuw uit de bergen een commercieel product was. Een bezoek aan deze plek kan vervolgens worden gecombineerd met l'Atzuvieta en de andere archeologische resten buiten het dorp.

Ook culturele evenementen dragen bij aan het zichtbaar houden van de geschiedenis. De Fira Al-Azraq, een cultureel en gastronomisch evenement, verbindt het middeleeuwse verleden met muziek, gastronomie, historische rondleidingen en hedendaags dorpsleven. Daarmee wordt geschiedenis niet alleen bewaard in stenen, maar ook opnieuw verteld aan bewoners en bezoekers.

Voor wie meer over de gemeente als geheel wil lezen, sluit dit artikel aan bij de algemene informatie over La Vall d'Alcalà in Alicante. Daar komen ook ligging, natuur, dorpsleven en andere praktische onderwerpen aan bod.

Geschiedenis als toeristische waarde

De historie van La Vall d'Alcalà is tegenwoordig een belangrijk onderdeel van het toerisme in de Marina Alta. Veel bezoekers kennen Alicante vooral van stranden, boulevards, appartementen en bekende badplaatsen, maar in Alcalà de la Jovada en Beniaia wordt een totaal ander verhaal verteld. Hier gaat het om prehistorische vindplaatsen, Iberische nederzettingen, middeleeuwse machtsstrijd, Morisco-erfgoed, verlaten gehuchten, landbouwterrassen en oude bergpaden.

Voor Nederlandse en Belgische bezoekers kan het verrassend zijn hoeveel geschiedenis in zo'n kleine gemeente geconcentreerd is. Op één dag is het mogelijk om door een dorp met nog geen tweehonderd inwoners te wandelen, een kerk uit de zeventiende eeuw te bekijken, langs een oud aquaduct te lopen, resten van een Morisco-nederzetting te bezoeken en vervolgens verder de bergen in te trekken naar eeuwenoude sneeuwputten.

Vooral l'Atzuvieta maakt veel indruk omdat de geschiedenis er niet achter glas ligt. De bezoeker loopt tussen dezelfde muren waar eeuwen geleden gezinnen woonden. Het landschap rondom de nederzetting is bovendien nog altijd herkenbaar als agrarische omgeving. Daardoor is gemakkelijker voor te stellen hoe nauw wonen, landbouw en waterbeheer met elkaar verbonden waren.

Ook de geschiedenis van Al-Azraq krijgt meer betekenis wanneer zij wordt gecombineerd met het landschap. Wie vanuit La Vall d'Alcalà richting de aangrenzende Vall de Gallinera rijdt, begrijpt beter waarom kastelen, bergpassen en valleien zo belangrijk waren bij het middeleeuwse verzet. De grenzen tussen de huidige gemeenten bestonden destijds immers nog niet in dezelfde vorm.

Een andere interessante combinatie is La Vall d'Ebo. Ook deze nabijgelegen vallei kent een lange geschiedenis, berglandschap en sporen van vroegere bewoning. Samen laten deze gemeenten zien hoe rijk het binnenland van de Marina Alta is aan archeologie en cultureel erfgoed.

Voor wie aan de kust verblijft, kan La Vall d'Alcalà daardoor een waardevolle dagtrip zijn. Vanuit plaatsen als Dénia, Jávea en andere delen van de noordelijke Costa Blanca verandert het landschap tijdens de rit steeds verder. De drukte van de kust maakt plaats voor Pego, bergwegen en uiteindelijk kleine valleien waarin het verleden veel zichtbaarder aanwezig is.

Het historische toerisme past bovendien goed bij het kleinschalige karakter van de gemeente. La Vall d'Alcalà heeft geen groot bezoekerscentrum of massale attractie nodig. Het erfgoed komt juist het beste tot zijn recht wanneer bezoekers rustig wandelen, informatie lezen en de verschillende locaties met elkaar verbinden. Daarmee sluit de vallei goed aan bij de groeiende belangstelling voor langzaam en cultuurgericht toerisme in Alicante.

Een vallei met geheugen

De historie van La Vall d'Alcalà is er een van voortdurende verandering. De oudste menselijke aanwezigheid gaat ongeveer 90.000 jaar terug. Prehistorische jagers en verzamelaars gebruikten de valleien en grotten, Iberiërs bouwden nederzettingen op hoger gelegen plekken en in de islamitische periode groeide het gebied uit tot een dichtbevolkt netwerk van landbouwgehuchten.

De figuur Al-Azraq gaf de vallei in de dertiende eeuw een plaats in de grote geschiedenis van het Koninkrijk Valencia. Zijn verzet tegen de christelijke uitbreiding, het Verdrag van Pouet en zijn uiteindelijke dood in 1276 behoren tot de bekendste verhalen van het middeleeuwse Alicante. Tegelijk is het belangrijk om onderscheid te blijven maken tussen historische documenten en latere plaatselijke overlevering, vooral rond de precieze locatie van zijn residentie.

Na de christelijke verovering bleef een groot deel van de islamitische bevolking eeuwenlang in het gebied wonen. Hun gedwongen bekering en uiteindelijk de verdrijving van de Moriscos in 1609 vormden een veel grotere breuk dan een eenvoudige machtswisseling. Hele gemeenschappen verdwenen en de vallei moest vanaf 1611 met nieuwe bewoners worden herbevolkt.

De resten van l'Atzuvieta, La Roca, La Cairola en El Benialí maken die gebeurtenissen nog altijd zichtbaar. Dat deze vier nederzettingen tegenwoordig officieel als beschermd archeologisch erfgoed zijn aangewezen, onderstreept hun betekenis. Ze zijn niet alleen belangrijk voor La Vall d'Alcalà of de Marina Alta, maar voor het begrijpen van de geschiedenis van de gehele Comunitat Valenciana.

Daarna volgden eeuwen waarin landbouw, veeteelt, waterbeheer en de handel in sneeuw het dagelijkse leven bepaalden. De huidige kerk, sneeuwputten, oude waterwerken en landbouwterrassen herinneren aan die periode. De bevolkingsgroei van de negentiende en vroege twintigste eeuw maakte vervolgens plaats voor een sterke leegloop toen werkgelegenheid zich naar steden, industriegebieden en de toeristische kust verplaatste.

Juist daardoor heeft het huidige landschap verschillende historische lagen behouden. Een pad kan oorspronkelijk een route tussen landbouwvelden zijn geweest, een ruïne kan eerst een Morisco-woning en later een stal zijn geweest en een stille berghelling kan ooit dagelijks door tientallen landbouwers zijn gebruikt. La Vall d'Alcalà is daarmee een voorbeeld van een zogenoemd cultuurlandschap: natuur en menselijke geschiedenis zijn er nauwelijks van elkaar los te zien.

Voor Nederlanders en Belgen die de provincie Alicante beter willen leren kennen, biedt La Vall d'Alcalà daarom veel meer dan alleen een mooi bergdecor. De gemeente laat zien dat de geschiedenis van Alicante niet uitsluitend langs de kust of in grote steden werd geschreven. Ook kleine valleien speelden een rol in prehistorische bewoning, islamitische machtsvorming, de christelijke verovering, de geschiedenis van de Moriscos en de ontwikkeling van het Spaanse platteland.

Ondanks eeuwen van verandering bleef La Vall d'Alcalà bestaan en ontwikkelde de gemeente een identiteit die vandaag de dag uniek is binnen de Marina Alta. De huidige 159 inwoners wonen in een landschap waarin iedere generatie iets heeft achtergelaten. De kracht van deze plek zit daarom niet alleen in monumenten, maar juist in de samenhang tussen dorpen, ruïnes, paden, landbouwterrassen en verhalen.

Wie de tijd neemt om Alcalà de la Jovada en Beniaia te bekijken, door l'Atzuvieta te lopen, de historische wandelroutes te volgen en naar de omliggende bergen te kijken, ontdekt een vallei die klein is in omvang maar uitzonderlijk rijk aan geschiedenis. La Vall d'Alcalà is daarmee een van die plaatsen waar het binnenland van Alicante zijn verleden niet alleen vertelt, maar nog altijd zichtbaar draagt.

Dit artikel is voor het laatst bijgewerkt op 25 augustus 2026.